Literatuur, vrijmetselarij en andere dagelijkse overpeinzingen

Draaiende afbeeldingen... Druk op F5 voor meer!

Hoofddoek

Er is weer veel te doen de laatste tijd over het dragen van hoofddoeken door moslima’s, nadat enkele athenea in Antwerpen dat verboden. Zelf wens ik daar geen mening over te hebben, omdat het volgens mij vanuit welke richting je het ook bekijkt, steeds alleen maar gaat over Kurieren am Symptom. Het echte probleem ligt elders. Alle argumenten kloppen immers, zowel van de ene als van de andere kant. Zodat het enkel een kwestie is van macht, zoals altijd. Wie de macht heeft, heeft het gelijk, heeft het recht en heeft de waarheid.
Het onderstaande gedicht van Germain Nouveau dateert uit het begin van de twintigste eeuw, lang vooraleer er van enig probleem sprake was dus. Maar plots krijgt het een verrassende actualiteit die het voorheen nooit gehad heeft. Of het de zaken anders ziet, weet ik niet, alleszins legt het wel een vinger op een achtergrondwonde die nu veelal onuitgesproken blijft. Bekijk de focalisatie in dit gedicht maar eens.

“MUSULMANES

à Camille de Sainte-Croix.

Vous cachez vos cheveux, la toison impudique,
Vous cachez vos sourcils, ces moustaches des yeux,
Et vous cachez vos yeux, ces globes soucieux,
Miroirs pleins d’ombre où reste une image sadique;

L’oreille ourlée ainsi qu’un gouffre, la mimique
Des lèvres, leur blessure écarlate, les creux
De la joue, et la langue au bout rose et joyeux,
Vous les cachez, et vous cachez le nez unique !

Votre voile vous garde ainsi qu’une maison
Et la maison vous garde ainsi qu’une prison;
Je vous comprends : l’Amour aime une immense scène.

Frère, n’est-ce pas là la femme que tu veux :
Complètement pudique, absolument obscène,
Des racines des pieds aux pointes des cheveux ?”

1 Juli 2009   Geen Commentaar   Printen Printen  

Verordening

Doe nu de deuren toe en sluit de ramen,
dicht alle openingen af van kelder
tot op zolder, en zeg ja en amen
tegen ieder die beweert wat helder-

heid te brengen in uw angstige bestaan.
Verberg u in verlaten verre oorden,
want erger dan een pijnbank komt eraan:
een nieuwe email van Hans-Kwibus Vandevoorde.

(vrij naar Richard Minne)

29 Juni 2009   Geen Commentaar   Printen Printen  

Dementie

Over Walter JensOok nog gelezen tijdens mijn vlucht voor de verkiezingen: Demenz. Abschied von meinem Vater (Gütersloher Verlagshaus, Gütersloh, 2009) van Tilman Jens, zoon van Walter.

Van Walter Jens heb ik maar weinig gelezen: een anti-utopische roman, waarin het begrip ’schuld’ een niet onbelangrijke rol speelt, Nein, die Welt der Angeklagten, en een wetenschappelijk essay, dat in zijn tijd belangrijk was en veel besproken werd, Statt einer Literaturgeschichte. Die beide las ik als student; daarna las ik enkel nog de beide essayboeken die hij samen met Hans Küng schreef, éen over literatuur en religie, en een ander over menswaardig sterven, zeg maar euthanasie. Ook al brachten zij terecht vele nuances aan, voor beiden, de katholieke en de protestantse gelovige, was het een pleidooi pro.

Dat laatste boek verscheen in 1995, en sindsdien verliepen vele jaren waarin Jens nog samen met zijn echtgenote enkele boeken schreef, en waarin hij genieten kon van zijn emeritaat.

Maar rond de millenniumwisseling begon bij Walter Jens dementie op te treden, en bleek hij aan de ziekte van Alzheimer te leiden. En daar gaat het boek van zijn zoon over. Hij beschrijft de ziektegeschiedenis, zoals hij dat heeft meegemaakt, betrokken uiteraard, maar ook met de nodige afstand, vermits hij niet meer thuis in Tübingen woonde. Maar ook overdrachtelijk schrijft de zoon met een mengsel van betrokkenheid en afstandelijkheid, zonder ooit toe te geven aan welke vorm van sentimentaliteit dan ook. Hardheid, zoals men dat (ten onrechte) aan Simone de Beauvoir verweet toen die de aftakeling van haar moeder beschreef in Une mort très douce, is bij Tilman Jens evenmin te vinden. Het boek is met liefde geschreven.

Het geval zelf verschilt uiteraard niet of amper van andere gevallen van alzheimer; het verschil is, dat we hier met een van de bekendste persoonlijkheden van Duitsland te maken hebben. Dat maakt het interessanter dan een doorsneegeval van een onbekende, ook al is er voor de rest, wat de kern van de zaak betreft, de ziekte en haar ontwikkeling, geen enkel verschil. Het heeft dan ook geen zin in te gaan op de beschrijving van het eerste optreden van de verschijnselen, de reacties van de echtgenote en anderen, die iets of nog verderaf stonden. Evenmin is er enig verschil wanneer de schrijver het over de opnames, de lafheid van de artsen (die geen diagnose durven meedelen, ofschoon ze ze moeten kennen) of de angsten van Walter Jens zelf heeft, die zeker in het begin nog lange periodes van luciditeit heeft.

Dat alles is normaal.

Maar in 2003 - Jens is dan nog meer lucide dan niet - wordt Walter Jens het slachtoffer van een meute hoernalistieke bloedhonden, de eeuwige Der Spiegel op kop. Die betichten hem ervan lid van de NSDAP geweest te zijn, en op het einde van de oorlog een artikel geschreven te hebben waarin hij het opneemt voor Blut-und-Boden-schrijvers als Kolbenheyer en tegen de decadente expressionisten. Ach, zeg je dan, laat de honden blaffen, de karavaan trekt wel voorbij.

Niet zo Walter Jens dus. Die trekt zich terug, weigert te antwoorden, loochent zelfs. Ik kan mij de schuldgevoelens die de man misschien zijn hele leven heeft meegedragen best inbeelden. Hij was een gelovige protestant, en dus zal zijn geweten hem vaak parten hebben gespeeld. Misschien verklaren die schuldgevoelens gedeeltelijk sommige van zijn latere gedragingen, bv. het verbergen bij hem thuis van Amerikaanse deserteurs, nog tijdens de laatste golfoorlog. Iedereen weet dat je Jens daarop moet afrekenen, en op zijn literaire werk, en niet op enkele stompzinnige en onbenullige jeugdzonden. De balans van zijn leven is voor het allerovergrootste deel positief geweest.

Waarom dan niet in die zin gereageerd? De beginnende alzheimer zal wel een rol hebben gespeeld, samen met de klassieke verdringing. Het is best mogelijk dat hij dus inderdaad van niks meer wist. De teneur van Tilmans boek is: die fascistoïde (hijzelf gebruikt dat woord niet!) pershetze heeft ervoor gezorgd dat de ziekte van zijn vader in een stroomversnelling is geraakt, en dat zijn geheugen na die affaire sneller en sneller begon af te takelen. Dat is uiteraard best denkbaar en ook mogelijk. Alleen valt het causale verband jammer genoeg niet te bewijzen, zodat je ook onmogelijk de hyena’s van de pers voor het gerecht kunt dagen. Voor zover dat al überhaupt iets oplost -vooral in Duitsland.

Uiteindelijk heeft Walter Jens een privéverpleegster gekregen, die zich volledig met hem bezig houdt, wandelingen met hem maakt, hem meeneemt naar het boerenhof waarvan zijn afkomstig is en dat nog door haar familie wordt uitgebaat. Ontroerend is het te lezen hoe de oude man die nooit iets van dieren moest hebben, blij is als een kind als hij samen met zijn verpleegster de dieren op het hof kan voederen, of hoe hij probeert woordjes te spellen.

Walter Jens had, mede door het grote succes van zijn laatste publicaties over familie Mann, veel geld, en kon zich dus een privéverpleegster veroorloven. Dat is in Duitsland zoals hier een absolute uitzondering. Nochtans, zo stelt Tilman Jens volkomen terecht, is dat de enige manier om demente bejaarden te verzorgen, want dan alleen kunnen hun angsten voor een groot deel weggenomen worden.

Maar kom daar maar eens om bij ons politicaille; als de banken geld nodig hebben, dan vinden ze het altijd; als de Amerikanen weer eens een derdewereldland naar het stenen tijdperk willen bombarderen en daarvoor niet genoeg middelen hebben, dan kunnen onmiddellijk miljoenen vrijgemaakt worden. Maar als het erop aankomt mensen te helpen? Ho maar, dan is er plotseling geen geld, dan moet er bespaard worden, dan kunnen de dames en heren ministers niks doen. Jammer, zeggen ze, maar helaas. Terwijl er geld genoeg is. Je moet alleen politici hebben die de moed hebben om de juiste keuzes te maken. En dat soort politici moet jammer genoeg nog geboren worden.

°°°

Mijn beide grootvaders zijn dement geworden, na hun 85ste en maar voor korte tijd gelukkig. Minstens éen werd daarbij agressief, van de andere weet ik het niet (meer).

26 Juni 2009   1 Reactie   Printen Printen  

Jeroen Brouwers en Thomas Bernhard

Jeroen BrouwersOm aan de weerzinwekkende vertoning die ‘verkiezingen’ heet te ontsnappen, vlucht ik meestal voor een korter of langer weekend naar het buitenland. Zo ook enkele weken geleden. In de boekhandels lag toen net een posthume uitgave van Thomas Bernard, Meine Preise (Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 2009). De titel deed me uiteraard onmiddelijk denken aan Jeroen Brouwers van wie iets eerder een boek verschenen was over hetzelfde, Sisyphus’ bakens, vloekschrift (= Feuilletons 8, Uitgeverij Noli me tangere, Zutendaal, onder protectoraat van Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2009).

Er zijn veel overeenkomsten tussen beiden, maar ook veel verschillen. De laatste zijn trouwens het belangrijkst, vind ik, omdat ze met stijl te maken hebben. De overeenkomsten gaan tot in de kleinste details: Bernhard begint het verhaal over zijn eerste prijs (de Grillparzerpreis) met vestimentaire perikelen, met name het kopen van een daartoe geschikt pak. Ook bij Brouwers vinden we dat terug. Zoals geweten neemt Bernhard graag hoogwaardigheidsbekleders in het visier, net zoals Brouwers in zijn werk, hier is dat bij beiden een minister van kultuur. En uiteindelijk zijn beiden toch steeds weer bereid om de hen toegekende prijzen te aanvaarden, ondanks bezwaren van allerlei aard (geen van beiden is wat dat betreft echt te vergelijken met bv. Hermans). Maar Brouwers is veel milder in dit opzicht, wat Bernhard over zichzelf zegt zou Brouwers waarschijnlijk nooit zo scherp stellen: “Ich verachtete die, die die Preise gaben, aber ich wies die Preise nicht strikt zurück. Es war alles widerwärtig, aber am wiederwärtigsten empfand ich mich selbst. Ich hasste die Zeremonien, aber ich machte sie mit, ich hasste die Preisgeber, aber ich nahm ihre Geldsummen an.”

Bernhard is het vooral om de poen te doen, die hij nodig heeft, en hij komt daar ook voor uit. Ook Brouwers heeft de poen nodig, maar hij is een moralist, hij heeft ook nog principes, het cynisme van Bernhard kent hij niet.

Dat verschil komt uiteraard ook tot uiting in beider stijl.

Brouwers beeft van verontwaardiging, hij is duidelijk woedend en laat zijn razernij de vrije loop. Hetgeen niet betekent dat hij maar wat wauwelt en tiert - integendeel: de woede en de verontwaardiging van Brouwers, zijn liefdes en verachtingen zijn perfekt verwoord, en die verwoording - die op zich al een vorm van beheersing is - zorgt ervoor dat hetgeen gezegd wordt nog sterker overkomt en de lezer bijblijft.

Thomas Bernhard

Bernhard is daar gans anders: hij vertelt gewoon, op een eerder anekdotische wijze, over zaken die al heel ver in het verleden liggen. Zijn woordenschat blijft ook eenvoudig, maar adequaat. Zijn woede en verontwaardiging bevinden zich veel meer onderhuids, en treden op in de vorm van ironie (zelden), sarcasme en cynisme. Bij Brouwers schaterlach je, bij Bernhard glimlach je eerder. Brouwers is één brok emotie, gestileerde emotie uiteraard, maar toch. Bij Bernhard zijn het emoties uit het verleden die heropgeroepen worden. Brouwers is direct, Bernhard afstandelijk.

Ik zei daarnet dat Brouwers een moralist is. Inderdaad, zijn pamflet is ook gericht tegen een systeem, een establishment, tegen een literaire structuur, waar de Taalunie model voor staat. In dat opzicht lijdt Brouwers’ vloekschrift aan het euvel van Multatuli’s Max Havelaar: beide zijn zo pregnant en mooi geschreven, dat de boodschap zelf dreigt niet meer over te komen.

Daar is Bernhard weer anders: hij is zoals gezegd vooral anekdotisch, vertelt gewoon de belangrijkste wederwaardigheden bij elk van de hem toegekende prijzen, en laat het verder aan de lezer over conclusies te trekken. Bernard trekt niet meer ten strijde zoals Brouwers, uit heel de teneur van zijn proza voel je dat hij dat al heeft opgegeven, dat hij de zin ervan niet meer inziet. Dan Brouwers: die ziet de zinloosheid van zijn aanval ook wel in, maar kan het blijkbaar niet laten toch ten strijde te trekken. Dat zal wel een kwestie van karakter zijn.

Twee van de beste schrijvers en van de beste stilisten van Europa, die toevallig hetzelfde onderwerp behandelen. De lectuur van beide boeken is uiteraard een genot, dat ik iedereen kan aanraden.

25 Juni 2009   Geen Commentaar   Printen Printen  

Peter Handke en Servië

Meer dan veertig jaren is het inmiddels geleden, dat ik de naam van Peter Handke voor het eerst hoorde, waarschijnlijk in verband met zijn eerste stuk, Publikumsbeschimpfung, waarvan ik vermoed dat ik het ergens in de late jaren zestig ook gezien heb (maar zeker ben ik daar geenszins van) of alleszins gelezen.  Zoals ik toen als student ook enkele van zijn vroege romans gelezenheb.

Ofschoon ik goede herinneringen heb aan die lectuur, heb ik Handke daarna amper nog gelezen, laat staan dat ik zijn werk gevolgd zou hebben.

Slechts in het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw kwam hij weer in mijn gezichtsveld, toen ik in de pers kennis nam van de controverse rond zijn Joegoslavië-teksten. De weinige reacties daarop die ik toen effectief las (vooral in Der Spiegel en enkele grote kranten) waren zo hevig, dat ik de teksten van Handke zelf persé lezen wou. Groot was mijn verwondering, want wat deed Handke: bijna uitsluitend vragen stellen, op de eerste plaats bij de berichtgeving en bij de mentaliteit van het journaille, maar ook over het concept ‘goeden’ versus ’slechten’ enzovoort. Vragen stellen dus, vraagtekens plaatsen, dat vooral. En op een duidelijk literaire manier, in poëtisch proza. Pamfletten waren het niet, evenmin polemieken.

handke Peter Handke en ServiëOver heel die affaire, die blijkbaar ook een groot stuk van de buitenlandse, met name de Franse pers beroerde, is nu een degelijk, maar misschien iets te akademisch boek verschenen: Kurt Gritsch: Peter Handke und “Gerechtigkeit für Serbien”, eine Rezeptionsgeschichte (StudienVerlag, Innsbruck-Wien-Bozen, 2009). Het is de bewerking, uitwerking van een ‘Magisterarbeit’, die Gritsch in 2000 schreef in een eerste versie.

In een eerste, en het langste deel gaat hij uitvoerig in op de reacties zoals die op de eerste publicatie in de Süddeutsche Zeitung plaatsgrepen. Om zeker te zijn dat ik me niet vergiste heb ik de boekuitgaven (ook de latere, waar Gritsch het niet meer over heeft - een boekje over het tribunaal, over Milocevic…) nog eens ter hand genomen, maar nee: mijn geheugen bedroog me niet, wat Handke schreef was mijns inziens erg gematigd.

Je kunt de reacties erop dan ook alleen maar hallucinant noemen. Zelden moet een auteur voor een eerder onschuldig werkje, dat eerder aan de rand van zijn oeuvre thuishoort, zoveel stront en modder over zich heen hebben gehand als Handke na die eerste publicatie (en nog een beetje na de boekpublicatie). Daar moeten mensen-die-het-voor-het-zeggen-hebben zich gepikeerd gevoeld hebben, ingezien hebben dat ze doorzien en betrapt waren, dat het eigenlijk niet netjes meer was. Bijna niemand van hen gebruikt argumenten tegen Handke, allemaal spraken ze rond de hete brei heen om Handke te betichten van het goedpraten van moord en genocide, het loochenen van de nazijudéocide (dat moet er uiteraard altijd bijgesleurd worden als je iemand wil afmaken), lijkenvreterij enzoverder enzovoort.

Je zit nog steeds met ongeloof en verbijstering te lezen, na al die jaren.

Na de eigenlijke receptiegeschiedenis volgt een hoofdstuk over de geschiedenis van Joegoslavië, dat zeer beknopt is en zich beperkt tot de echt grote lijnen, en dan een hoofdstuk over de rol van de media.

Wie een beetje op de hoogte is weet uiteraard dat de mainstreammedia allemaal liegen en bedriegen, dat ze enkel de belangen van hun broodheren en de vriendjes daarvan verdedigen en verder niks. Vrije pers is een lachertje, persvrijheid bestaat niet en kan waarschijnlijk ook niet bestaan - tenzij als lege, holle, propagandistische slogan, zoals die pers meestal zelf is. In dit hoofdstuk heeft Gritsch het ook over ‘Ruder Finn Global Public Affairs’, een pr-agentschap uit Washington, dat werd ingehuurd door Bosnië en Kroatië (ook later zou dit agentschap nog voor Kroatië werken). Je moet er an sich al vragen bij stellen dat een regering zulk een instituut nodig heeft, maar in tijden van oorlog kan dat alleen maar betekenen dat dit agentschap voor de propaganda moest zorgen, en voor niks anders. Ook in andere tijden en voor andere zaken dienen pr-agentschappen daar trouwens voor. Hun grote rol in de maatschappij is een overduidelijke aanwijzing voor de leugenachtige en bedrieglijke aard van die maatschappijen, en vooral van het heersende sociaal-politieke systeem daarin. Dat is helemaal, en hoe langer hoe meer gebouwd op wat men met een modeterm ‘perceptie’ noemt. Leugens dus. Bedrog dus. Mundus vult decipi.

Opvallend is daarbij het absolute negatieve cynisme van deze mensen (op de pagina’s 140-142 wordt de manager van Ruder Finn aangehaald), die werkelijk over alle denkbare lijken gaan. In het laatste stukje van dit hoofdstuk stelt de auteur de vraag naar de verhouding van ‘Medien und Moral’. Dit is een akademisch geschrift, en dus kan de auteur niet anders dan braaf zijn, zeker wat zijn bewoordingen betreft. Maar toch slaagt hij er wel in duidelijk genoeg te laten doorschemeren wat hij van dit soort media denkt - en dat is terecht niet positief.

Met Handke heeft dat alles weliswaar niets meer vandoen. Die is de door hem uitgestippelde weg blijven volgen, ook later nog; zo heeft hij de begrafenis van Milosevic bijgewoond, en daarover geschreven. Waarbij hij nogmaals vaststelde dat de media de waarheid bezitten, terwijl hij daar enkel stond met vragen en onzekerheden.

Liever één Handke in een Elfenbeinturm dan de dunne kak van tien kranten of televisiestations.

24 Juni 2009   Geen Commentaar   Printen Printen  

Het Vlaemsche peil, of: een veest in een glas brak water

Im Dunkeln sieht der tief gelehrte Mann
Minervens Eule für Minerven an.

Toen ik mijn legerdienst deed, kon ik voor de ‘break’ in de mess van de officieren terecht, maar wel voordat die heren zelf hun ‘break’ hielden. Toch zat daar op een bepaald ogenblik een luitenant die een gesprek met mij wou beginnen, waarbij hij mij aansprak met ‘Wij, intellectuelen…’. Ik gruwde, ik wist van (plaatsvervangende?) schaamte niet waar ik moest kruipen.

En ofschoon ik steeds een bewonderaar geweest en gebleven ben van Sartre, dus ook van zijn Plaidoyer pour les intellectuels, zou ik mezelf nooit zo betitelen. Al was het maar omdat ik zodoende in het gezelschap terecht zou komen van het ondraaglijk onwelriekende zootje, dat dezer dagen weer een polemiek gestart is op z’n Vlaemsch.

blabla Het Vlaemsche peil, of: een veest in een glas brak waterWat is er aan de hand? Koen Dillen schreef onder schuilnaam een boek over François Mitterrand, dat overal vol lof besproken werd. Blijkbaar omdat die wierookzwaaiers niet wisten dat Koen Dillen de auteur was.

Gevolg: een Open Brief in De Standaard, ondertekend door 36 Vlaemsche intellectuelen, en waarin gesteld wordt dat Dillen het slachtoffer zou zijn van feitelijke censuur, ten eerste omdat hij onder pseudoniem moet schrijven, ten tweede omdat boekhandels, met name De Groene Waterman in Antwerpen, zijn boek uit de rekken gehaald zouden hebben toen bleek dat Dillen de auteur ervan was.

Het is best een hilarisch stuk, die Open Brief, waarbij je je vooral afvraagt hoe dom en onbenullig je moet zijn om Vlaemsch intellectueel genoemd te mogen worden. Op de eerste plaats weten die heren en dames niet wat censuur is. Noch de staat, noch een rechtbank, noch een partij, een lobby, een groepering, een individu of wat dan ook heeft in het boek van Dillen ook maar één jota geschrapt, het drukken of verspreiden of verkopen ervan verboden of laten verbieden. Dat is censuur, dat is niet gebeurd, en dus is er geen sprake van censuur.

Volgens de gegevens die de auteurs van de Open Brief vermelden zou er hoogstens sprake kunnen zijn van een boycot. Maar zelfs dat is niet het geval. Toen ik verleden week in De Groene Waterman was, was er zelfs een exemplaar aanwezig.

Volgens de Open Brief komt echter het feit dat het boek enkel ‘op bestelling’ te krijgen is neer op censuur c.q. boycot. Van een stompzinnige redenering gesproken. Van de tien boeken die ik aankoop, moet ik er zeven à acht bestellen, omdat ze in de boekhandel niet op voorraad zijn. Is natuurlijk mijn eigen schuld. Ik moet maar niet zo’n moeilijke en weinig gevraagde boeken lezen, maar me houden aan de lijstjes in de snertpers waar ook de Vlaemsche Open Brief-schrijvers bij tijd en wijle hun keuteltjes kwijt kunnen.

Om te bewijzen hoe onzinnig hun redenering is, nam ik drie boekjes van éen van hen uit de rekken, en die liggen terwijl ik dit schrijf, naast me: Antwerpse gedichten, Lucifer en Sulamiet, een toneelstuk, een dichtbundeltje en een gedicht van Benno Barnard, de eerste twee uit 2001, het derde uit 2004, alle drie uitgegeven door de onvolprezen Carbolineum Pers, geen van de drie te krijgen in welke boekhandel dan ook, ook niet vlak na verschijnen, en alle drie al evenmin bestelbaar in een boekhandel, nu niet en niet bij verschijnen. Volgens de redenering van de 36 Vlaemsche ‘opiniemakers’ was Barnard dus duidelijk het slachtoffer van censuur c.q. boycot wat alvast deze drie publicaties betreft. (Overigens, ook de uitgaven van de Avalon Pers, van de Atalanta Pers, van In de Bonnefant enzoverder enzovoort zijn in de boekhandel niet aanwezig en waarschijnlijk evenmin bestelbaar, zeker hier in Vlaanderen niet.)

In hun open brief breken de Vlaemsche intellectuelen ook een lans voor de “vrije verkoop van Filip Dewinters pamflet Inch’ Allah“. Ook dit is weer totale onzin, want ook dit boek mag vrij verkocht worden, en is niet aan enige censuur onderhevig geweest totnogtoe. Maar in tegenstelling tot het boek van Dillen is dit inderdaad wel het voorwerp van een boycot. Maar in tegenstelling tot bv. sommige boeken van Garaudy in Frankrijk moet het niet sous le manteau verkocht worden. Er is vrij gemakkelijk aan te komen, en als Barnard beweert dat hij het door die boycot niet heeft kunnen lezen, liegt Barnard gewoon.

En so what wat die boycot betreft ? Sinds wanneer is het verboden iets te boycotten, of althans dat te proberen, of het nou boeken zijn of iets anders. Een boycot is alles behalve een boekverbranding. De boycot van Zuid-Afrika indertijd, was dat dan ook not done? Had dat ook verboden moeten worden? Er waren er inderdaad die zo dachten, nl. de leden van de Zuid-Afrikaanse lobbyclub Protea. Zoals nu de poging tot boycot van de nazionistische entiteit wordt tegengewerkt en tegengegaan door allerlei aanhangers en vrienden van diezelfde entiteit.

Door tegen een boycot van Dewinters boek te pleiten, scharen de Vlaemsche ‘opniemakers’ die die Open Brief ondertekenden (wie schreef die brief eigenlijk? zouden we dat ook mogen weten?) zich, of ze dat nou willen of niet, de facto achter De Winter en zijn partij, ze steunen die partij, ook al beweren ze honderd keer dat dat hun bedoeling niet is. Pleiten voor een grote verspreiding (want daar komt het op neer: de verkoop ervan is al vrij, maar het wordt in hun ogen niet voldoende verspreid, niet genoeg mensen kunnen kennis nemen van De Winters propaganda) is pleiten voor de verspreiding van een bepaald gedachtegoed, hoe je dat verder ook draait of keert. Ofwel deze Vlaemsche intellectuelen zijn de o zo typische nuttige idioten in dienst van het Vlaams Belang, ofwel ze hanteren bewust een dubbele en dubbelzinnige agenda. Van sommigen van de ondertekenaars ben ik alvast zeker dat het laatste het geval is.

Overigens ben ik van oordeel dat het het goed recht is van deze mensen om zich tegen een boycot uit te spreken, net zoals dat het goed recht was c.q. is van de Zuid-Afrikaanse en nazionistische lobby’s. Maar dat ze dan ten minste de moed hebben om voor hun mening uit te komen, en zich ook openlijk achter De Winter c.s. te scharen. Nu tonen ze enkel maar lafheid.

000

Ook in de opiniestukken van respectievelijk Benno Barnard in Knack en van Johan - krankjorum - Sanctorum op zijn blog zitten er heel wat verborgen addertjes onder het gras.

Laat me beginnen met de hierboven reeds genoemde Barnard, in eigen ogen wellicht wel de grootste en belangrijkste der Vlaemsche intellectuelen. In diens stuk in Knack komt meer dan één onuitgesproken aap uit de mouw.

Vooreerst verwijst Barnard naar de Engelse kruidenier à la Thatcher, Karl Popper. Daarbij zegt Barnard uiteraard niet dat deze man staat voor een ver doorgedreven liberalisme in alle opzichten, zozeer zelfs dat de, wat het sociaal-economische aspect betreft, sterk op elkaar gelijkende programma’s van Vlaams Belang, Lijst Dedecker en VLD gerust veel van hun inspiratie bij deze heer kunnen vinden. Barnard c.s. zullen zeggen dat het hen over cultuur gaat. Maar in deze context is elk cultureel discours een ideologisch discours waarachter, hoe je het ook draait of keert, een sociaal-economisch discours verborgen zit, dat zeer concrete machtsbelangen moet omfloersen en beschermen. Barnard verdedigt dus in laatste instantie een extreem liberalisme, dat in de huidige politieke en sociale context vaker extreem-rechts is dan iets anders, en dat in elk geval neerkomt op het recht van de sterkste.

Barnard aanvaardt blijkbaar maar één criterium op basis waarvan een boek gebeurlijk wel gecensureerd c.q. geboycot zou kunnen worden: als het oproept tot geweld. Ook hier zit weer een giftige adder in het gras. Immers: wat is ‘oproepen tot geweld’? Wanneer Marx zegt: ‘Het geweld is de vroedvrouw van de geschiedenis’, is dat dan een oproep tot geweld? Sommige ‘linkse’ groepen, al dan niet politiek en logistiek geruggesteund door geheime diensten, hebben dat in het verleden al zo geïnterpreteerd. Marx verbieden dus maar? En tezelfdertijd iedereen die het lef heeft zich ‘marxistisch’ te noemen, of gewoon maar naar Marx te verwijzen op een positieve manier? Onder de lijst van ondertekenaren van de Open Brief staan er in elk geval wel enkele waarvan ik quasi zeker ben dat ze dat wel zouden doen.

En dat het boek van De Winter niet oproept tot geweld? Spreekt dat niet vanzelf?! Het Vlaams Blok werd tenslotte veroordeeld, inderdaad in een politiek proces, en moet dus elk woord dat ze publiceren tien keer omdraaien. Met andere woorden: ze moeten, of ze dat nou willen of niet, of ze dat nou leuk vinden of niet, aan zelf-censuur doen. Omdat de eerste praatbarak van dit land nu eenmaal wetten heeft gestemd die bepaalde meningen verbieden, met name sommige meningen van het Vlaams Blok (maar die je evengoed elders tegenkomt, bij de sp bv.), of toch minstens van sommige vooraanstaande leden daarvan. Als men tegen (zelf)censuur is, dan moet men die wetten aanpakken, dan zou men pas consequent zijn. Maar ook hier tonen ze zich weer wat ze zijn: laffe intellectuele keffertjes.

Tenslotte de derde aap: Barnard is het wezenlijk eens met De Winters houding tegenover en kritiek op ‘de islam’. Dit laatste citaat zegt al genoeg. Als je maar iets van deze godsdienst afweet, dan weet je ook dat er, in tegenstelling tot Rome, geen centraal gezag is in de Islam (net zomin trouwens als bij de protestanten - is Barnard zijn afkomst vergeten?) en dat op basis van de koran en de hadiths in feite iedereen om het even wat kan beweren binnen die godsdienst. Wat uiteindelijk ‘waarheid’ wordt, hangt daarbij van pure machtsverhoudingen af en van anders niets.

Over ‘de’ islam spreken is dus klinkklare onzin. Overigens doet Barnard hiermee vrolijk mee met de overgrote meute van niet alleen Vlaemsche maar ook andere intellectuelen: het scheppen van een mentaliteit waarin de islam de absolute boosdoener is, het Absolute Kwaad, zoals de joden in de 19de eeuw en tot in de jaren veertig van de 20ste eeuw. Het atavisme waarop dit kan gedijen in het westen is minstens zo diep verankerd als de jodenhaat voorheen.

De islam belegert ons niet, voert geen oorlog tegen het westen, integendeel. Er wordt steeds gesteld dat er een oorlog bezig zou zijn tegen het terrorisme, waarbij terrorisme bijna steeds gelijkgesteld wordt met islam, maar in feite is er een terroristische oorlog bezig van het westen tegen de derde wereld, om economische rijkdommen en belangen, en dan vooral tegen landen waar inderdaad de een of andere vorm van islam gepraktizeerd wordt. En als die oorlog escaleren zou, en het westen nederlagen zou gaan lijden en de bevolking hier er direct zeer scherpe gevolgen van zou ondervinden, dan is de mentaliteit in elk geval al gezaaid die tot de zoveelste genocide door het blanke westen zou voeren.

Misschien zouden onze intellectueeltjes Frantz Fanon eens kunnen (her)lezen, dan zouden ze alleszins te weten kunnen komen in welk historisch perspectief ze de gebeurtenissen, ook die van vandaag nog, moeten plaatsen. De uitdrukking ‘derde wereld’ wordt weliswaar amper nog gebruikt, maar de werkelijkheid van plundering, roof, uitbuiting, ethnische zuiveringen enz. voelen ze daar nog even goed en even hard als toen Fanon nog leefde. Of ze kunnen bv. La férocité blanche, des non-blancs aux non-aryens, génocides occultés de 1492 à nos jours van Rosa Amelia Plumelle-Uribe (Albin Michel, 2001) eens lezen. Maar ik hoor onze intellectueeltjes nu al roepen en tieren, want wat durft deze madam (die ik duizend maal hoger acht dan alle Vlaemsche intellectueeltjes bij elkaar): ze ziet één lijn van de uitroeiing van ganse inheemse volkerendoor Europese kolonisten naar de judéocide van de nazi’s, vergelijkt deze laatste dus met andere genocides, plaats ze zodoende in een juist historisch kader en, inderdaad, relativeert ze zodoende. Als dat geen antisemitisme is. Op de brandstapel met deze verlepte roos!

En dan Sanctorum krankjorum. Hij wordt vaak letterlijk herhaald door Barnard (gezamenlijk masturberen is altijd fijner dan je in je eentje zitten af te rukken), dus kan ik korter zijn wat hem betreft. Hij zegt dat het boek van Dillen niet zou zijn uitgegeven onder de eigen naam van de auteur, of in elk geval geen enkele aandacht zou hebben gekregen. Een bewijs daarvoor geeft hij niet, en het valt ook niet te bewijzen. Maar als het zo zou zijn, is dat fout: een boek moet op eigen mérites beoordeeld worden, en niet op basis van het vel, de kleur van de ogen, de grootte of weet ik veel wat van de auteur.

Sanctorum heeft blijkbaar iets tegen stalinisten en jacobijnen. De belediging aan het adres van Jos Geysels, die een stalinist genoemd wordt, is eigenlijk een dubbele belediging: enerzijds inderdaad aan het adres van Geysels die volgens geen enkel objectief of subjectief criterium een stalinist is, maar anderzijds ook aan het adres van mensen die ’stalinist’ als een eretitel beschouwen en dus niet willen dat een man die zoals de meeste groenen steeds vooral de eigen carrière voor ogen heeft gehad (in Duitsland met een verachtelijk Arschloch als Joshka Fischer is dat overigens nog veel duidelijker dan hier), met een door hen geliefde figuur vereenzelvigd wordt.

Het enige waar Sanctorum gelijk in heeft (en dat wordt door Barnard nou net afgewezen - zou deze laatste België dan toch niet zo goed kennen als hij pretendeert te doen?!) is zijn stelling dat de boycot van en het politieke proces tegen het Vlaams Blok enkel te maken hebben met de Vlaamse aard van deze partij, d.w.z. met het feit dat zij opkomt voor Vlaamse onafhankelijkheid. Zoiets spreekt toch vanzelf. Elders in Europa zijn fascistische of populistische partijen al aan de macht geweest (Oostenrijk en Italië zijn de bekendste voorbeelden) en bij de score van het Blok zou dat ook hier het geval zijn geweest, moest de partij zich niet beroepen op een extreme Vlaams-nationalistische traditie.

Wat voor kwaad kan het nou om dat in te zien en ook toe te geven? Daarmee geef je geen krediet aan welk programmapunt dan ook van het Vlaams Belang. Als goeie cynicus zou ik eerder zeggen dat je dan maar content moet zijn in België te leven. Tenslotte stellen Sanctorum en Barnard hun lezers voor een waarlijk verscheurende keuze: tussen Voltaire, de vrijdenker en Robbespierre (sic) de tiran moet er gekozen worden. Dat die twee elkaar helemaal niet uitsluiten komt in het hoofd van beide intellectuele heren niet eens op.

Misschien ben ik geschikt als kermisattractie met mijn opvattingen, maar jawel hoor: ik kan beide heren best pruimen en wens op geen enkele manier op een algemene wijze tussen hen te kiezen.

De soms scherpe pen van Voltaire heb ik graag (ook al weet ik dat hij best ook een vleier van machthebbers kon zijn als het hem zo uitkwam), nog niet zo lang geleden heb ik hem ook als dichter ontdekt middels een goeie bloemlezing (Poésies, Les Belles Lettres, 2003), en ik heb er geen enkel probleem mee dat hij wat zijn positieve kanten betreft nog steeds als voorbeeld zou kunnen dienen in bepaalde omstandigheden.

Net zoals Robespierre trouwens en zijn trouwe gezel Saint-Just. Maar in een andere context uiteraard. Bv. wanneer het erop aankomt tegen een oppermachtige vijand buiten en binnen Frankrijk de verworvenheden van de Revolutie te verdedigen. Robespierre en heel het Comité de salut public konden niet anders handelen dan zij gedaan hebben. En zij hebben goed gedaan, met uiterste consequentie, met inzet van ook hun eigen leven uiteindelijk.

Belangrijker dan dit is echter het feit dat onze beide Vlaemsche ‘opiniemakers’ redeneren op een wijze die totaal wereldvreemd is - zoals de meeste intellectuelen trouwens, Vlaemsch of niet. Zij vertrekken vanuit universele principes, die zij losmaken van elk tijdsgewricht en van elke concrete politieke context. Op die manier doen zij zowel Voltaire (die een veel groter schipperaar was dan Barnard c.s. aan wensen te nemen) als Robespierre onrecht aan.

Als zij de lezer toch voor een keuze willen stellen, waarom dat niet deze: oftewel Robespierre en Saint-Just, oftewel Talleyrand en Fouché. Een dergelijke keuze combineert het principiële met het concreet-historische, en is dus veel legitiemer dan de nietszeggende en onbetekenende ‘keuze’ van Sanctorum c.s.

Tenslotte is er nog een bijdrage van een ander Groot Vlaemsch Licht, nl. Ludo Abicht, onder de titel ‘Houdt gij ze dom…’.

Zijn eerste paragraaf is al veelzeggend, niet wegens het fabeltje waar hij mee begint, maar wegens de overgang van één geval naar een algemene stelling, een denkfout die geen enkele beginneling in de logica nog maakt. In één boekhandel zegt één verkoper dat zij Marcuse niet hebben, en vlak erna, in dezelfde zin a.h.w. is het de hele DDR-regering die daar de directe oorzaak van is en zodoende het volk betuttelt. Om het zo grof te spelen moet je filosoof zijn waarschijnlijk.

In de volgende paragraaf verwijst Abicht naar Habermas, volgens wie het fundament van ‘de’ democratie (aanhalingstekens van mij) ‘de vrije en vrijmoedige communicatie tussen alle burgers’ zou zijn. Inderdaad, ben ik geneigd te denken, dat is het inderdaad, zo moet je deze democratie inderdaad omschrijven: klets maar raak, klets er maar op los, zo veel mogelijk, zo idioot mogelijk, zo luid mogelijk. Zolang de echte machthebbers niet geraakt worden kunnen Vlaemsche en andere intellectuelen inderdaad verder zwetsen en doen alsof hun neus bloedt.

De rest van Abichts stuk is irrelevant, want De Groene Waterman heeft dus helemaal geen boeken uit de rekken gehaald.

frogs Het Vlaemsche peil, of: een veest in een glas brak water

Wat is de waarde of de betekenis van dit alles? Niks, nihil, noppes, nada. Een petitie die op lucht gebaseerd is, want die ten strijde trekt tegen luchtkastelen, die dan ook nog door de ondertekenaars zelf zijn opgetrokken. Don Quichote verbleekt erbij. En dan nog enkele ’scribes’, ‘Schreiberlinge’ - bestaat daar eigenlijk een goed Nederlands woord voor? - die voor de zoveelste keer denken het warm water uit te vinden, terwijl het alleen maar hun eigen urine is waarvan ze de warmte voelen.

Niet eens een storm in een glas water dus, maar hoogstens een veest in een glas brak water. Maar ik geef met Anna Bijns toe: ‘Tes beter geveesten dan qualijck gevaren’.

Overigens: geen van beide boeken heb ik gelezen. Dat van De Winter niet omdat ik zijn opvattingen ken, en het mij verder niet interesseert te zien hoe hij ze nu formuleert. Dat van Dillen niet, omdat de figuur van Mitterrand me niet interesseert, hij is enkel een 20ste-eeuwse kloon van Fouché of Talleyrand. En nog overigens: een proficiat aan Koen Dillen, want hij is in een van de beste PR-stunts geslaagd die de laatste tijd plaatshadden. Met medewerking van al die anderen?

Maar laat me eindigen met Jacques Roux (nog éen van die figuren uit de Franse Revolutie die me lief zijn, samen met Marat, Babeuf, zelfs Hébert…) op het einde van wat een van de prachtigste en betekenisvolste toneelstukken van de 20ste eeuw is, en nog steeds hoogst actueel: “Wann werdet ihr sehen lernen/Wann werdet ihr endlich verstehen”.

Voor Vlaemsche intellectuelen is het antwoord wel duidelijk: nooit dus.

12 April 2009   1 Reactie   Printen Printen  

Hadewych

hadewijch HadewychBij de Historische Uitgeverij in Groningen verscheen zonet Liederen van Hadewych in een uitgave van de specialisten Veerle Fraeters en Frank Willaert.

Een beknopte, maar goed doordachte inleiding die het wezenlijke bevat, dan de tekst van de 45 Strofische gedichten, zoals ze vroeger genoemd werden, met op de linker bladzijde de middeleeuwse tekst en op de rechter bladzijde de vertaling in hedendaags Nederlands, en het geheel wordt gevolgd door een ‘Reconstructie van de melodieën’ Van Louis Peter Grijp, en tenslotte een eveneens beknopte bibliografie. Alle gedichten worden in de marge of beneden aan het blad voorzien van ook weer de nodige maar beknopte uitleg, die in het rood gedrukt werd. Zo krijgen we een fraai verzorgd boekwerk dat a.h.w. uitnodigt om te lezen.

Die muzikale reconstructie is nieuw in het Hadewych-onderzoek en daaruit voortvloeiende publicaties. Zoals de vier CD’s die het boek vergezellen, en waarin afwisselend liederen gezongen worden of voorgedragen door de twee samenstellers. Ik heb er nog maar een stukje van beluisterd, maar dat geeft toch de indruk dat zij het zeer goed doen. Alleszins lijkt me ook dit nieuw, want professoren die aan voordracht doen, dat is mij onbekend. Hoewel het eigenlijk inderdaad tot het vak behoort. In de middelbare school behoorde dat tot het curriculum (net zoals het uit het hoofd leren van gedichten trouwens), en terecht, waarom dus ook niet aan de universiteit. Maar waarschijnlijk ben ik weeral hopeloos ouderwets.

Over de figuur van Hadewych zelf, en over haar werk hoef ik uiteraard niets te zeggen. Is dit nu de definitieve uitgave van de strofische gedichten c.q. liederen? Nee, het is een uitstekende, wetenschappelijk gefundeerde leeseditie, waarvan je alleen maar hopen zou dat ze een groot publiek moge bereiken, een editie die noodzakelijk is, en altijd in de goede boekhandels voorradig zou moeten zijn.

Maar de basiseditie blijft nog steeds Van Mierlo, en dat weten de huidige uitgevers ook wel. De vier Hadewych-uitgaven van Van Mierlo gaan veel verder: zijn inleidingen zijn veel uitgebreider (afzonderlijke boeken in drie van de vier gevallen), zijn kommentaar bij de afzonderlijke gedichten of prozateksten gaat veel verder en veel dieper, en zijn uitgaven bevatten veel meer woordelijke uitleg (waarvoor Fraeters en Willaert dan wel hun vertalingen hebben), en uiteraard een variantenapparaat. Van Mierlo gaf wetenschappelijke uitgaven uit, weliswaar geen echt historisch-kritische, maar dat ideaal werd toch benaderd. Voor wie zich intensief en wetenschappelijk met Hadewych wil bezighouden, blijft Van Mierlo dus de onmisbare referentie waarnaar steeds terug gegrepen moet worden. In de huidige cultuurbarbaarse context is een nieuwe Van Mierlo, en dat wil dus zeggen een echte historisch-kritische uitgave ondenkbaar.

Oorspronkelijk zou dit boek verschijnen in de Delta-reeks van Nederlandse klassieken. Maar die reeks werd afgevoerd wegens te weinig succes. Dat zegt genoeg. Alleen: de lopende projecten zouden worden voortgezet. Eén van die projecten was: het verzameld werk van Anna Bijns. Sind de 19de eeuw zijn er van haar werk geen goeie uitgaven meer verschenen, en nochtans is zij na Hadewych de tweede grote dame van de Nederlandse poëzie uit de middeleeuwen, en eveneens zoals Hadewych van een Europees niveau.

Wedden dat er ook nu niets van komt? Cultuurbarbaren, zei u ?

10 April 2009   Geen Commentaar   Printen Printen  

Claude C. Krijgelmans

krijgel Claude C. Krijgelmans

Claude C. Krijgelmans is éen van de belangrijkste schrijvers uit het Nederlandse taalgebied en niemand weet het.

Velen zullen hem in verband brengen met de jaren zestig en het experimentele proza dat toen opgang maakt. En inderdaad, twee van de drie boeken die hij publiceerde, verschenen respectievelijk in 1961, nl. de novelle Messiah, en in 1967, de verhalenbundel Homunculi. Bijna twintig jaar later, in 1984 verscheen dan een tweede verhalenbundel, Spaanse vlieg!

En dan werd het weer meer dan twintig jaar stil rond Krijgelmans, tot in 2007 en 2009 bij de nieuwe uitgeverij Het Balanseer (genoemd naar de titel van een verhaal van Krijgelmans) twee nieuwe verhalenbundels verschenen: Tandafslag en Patogeen halogeen.

Daaruit blijkt dat Krijgelmans wezenlijk zichzelf gebleven is, een taal- en denkontregelaar. Maar de manier waarop hij dat doet varieert wel sterk, waarbij je drie periodes kunt onderscheiden, die respectievelijk samenvallen met de tijdperken waarin zijn boeken gepubliceerd werden.

De laatste twee publicaties horen wat dit betreft samen, zoals de eerste twee. Spaanse vlieg! staat apart.

In Tandafslag en Patogeen halogeen vindt die taalontregeling plaats op het vlak van de woordenschat. In zijn eerste publicaties daarentegen werd bijna uitsluitend de zinsbouw aangepakt: zo bestond de novelle Messiah uit één enkele zin van meer dan tachtig bladzijden. En in de verhalen van Homunculi, vooral in het laatste, krompen de zinnen meer en meer in elkaar tot ze nog slechts uit enkele, uit één woord bestonden, en in het laatste verhaal uiteindelijk zelfs uit géén woord: na de geleidelijke afbraak van de zinnen eindigt het verhaal met een wit blad. De taal wordt een ruïne zoals de muren van Jericho, waar de titel naar verwijst. Erger zelfs: er blijft niets over. In het voorlaatste, het titelverhaal van die bundel hielden constructie en deconstructie elkaar nog min of meer in evenwicht.

In alle nadien verschenen verhalen bleef de zinsbouw grotendeels intact, dus ook in de respectievelijk twaalf en acht verhalen uit de nieuwe bundels. En in het eerste verhaal van Patogeen halogeen is er zelfs van woordontregeling geen sprake. Daarmee sluit dit verhaal eigenlijk eerder aan bij de bundel Spaanse vlieg! waarin zowel grammatica als woordenschat grotendeels ‘gewoon’ blijven, maar waar eerder van denkontregeling gesproken moet worden. Die bundel is door en door grotesk in de zin van bv. de verhalen (’grotesken’) van Van Ostaijen. Alleen is deze laatste in zijn satire direct politiek gericht en veel vrolijker.

Hoe die ontregeling in het werk gaat kan best aan de hand van een voorbeeld worden aangetoond:

“Toen de verkrankte verfranken in grote optelling op doortochtig naar Borst optrokken, hadden ze maar één bedoel: het strekerig vinden van parelmelk met raamkozenaar en beken met verfijnde wijn, omgroeid met uithollige stengels om die fijnproeverij in hun maag te zuigen.”

Zo begint ‘De loze onthaarden (een ridderverhaal)’. Het is een tamelijk gemakkelijk voorbeeld, omdat de oorspronkelijke vorm van alle woorden hoe dan ook herkenbaar blijft. Dat is overigens altijd zo, alleen moet je als lezer soms wel even doordenken. Dat gebeurt meestal vooral in de laatste verhalen van beide bundels, want ook daarin is een evolutie bespeurbaar: de onttakeling van de taal neemt met elk nieuw verhaal als het ware toe (zoals in Homunculi de auteur in elke verhaal verder ging in het deconstrueren van de grammatica om, zoals gezegd, op het einde van het laatste verhaal enkel nog een wit blad over te houden).

Met die bestaande woorden kan dus van alles gebeuren: substantieven kunnen adjectieven worden of omgekeerd, door het gebruik van al dan niet bestaande voor- of achtervoegsels (cfr. hierboven ‘uithollig’) kunnen nieuwe vormen ontstaan. Soms kunnen zodoende meerdere betekenissen mee gaan spelen: ‘raamkozenaar’ doet denken aan ‘raamkozijn’, aan ‘kozen’, aan ‘korenaar’, maar in de context ook aan het Duitse ‘Rahm’. En in een woord als ‘balanseer’ worden twee vormen van eenzelfde stam, nl. het werkwoord en het substantief tot één nieuw woord omgesmeed.

Wat daarbij ook telkens weer opvalt is de grote muzikaliteit van de taal van Krijgelmans: zijn zinnen zijn a.h.w. uitgebalanceerd om te ‘klinken’, om voorgelezen te worden. Eén van de technieken om dat te bereiken is wat in verband met het proza van Arno Schmidt ‘rijmproza’ genoemd werd. Een voorbeeld is het begin van het verhaal ‘Waarom?’: “Een verstempeld kwadrant, een noest verstand van weerstand en willekeurig. Met beenmerg opgeschonken en de leegte in gedronken.” Ook alliteraties worden vaak gebruikt om dit muzikale effect te bereiken - eveneens als bij Arno Schmidt.

Maar de lezer zal uiteraard bij het lezen van deze enkele voorbeelden eerst aan Joyce (en de nog geschooldere lezer aan een van diens voorgangers, Johann Fischart) denken, die in zijn laatste werk, Finnegans wake, dezelfde technieken ten overvloede gebruikt heeft. Toch is deze vergelijking slechts ten dele juist, want Krijgelmans lijkt me veelzijdiger in zijn techniek. Joyce gebruikt vooral zgn. ‘porte-manteau-words’, waarbij bestaande woorden uit verschillende talen vaak samengesmolten worden tot een nieuw woord. Dat doet Krijgelmans eveneens (zie ‘raamkozenaar’ hierboven), maar hij doet zoals gezegd méér: het substantiveren c.q. adjectiveren c.q. verbumiveren enz. kom je bij Joyce in veel mindere mate tegen. Krijgelmans is dus allesbehalve een Nederlandse epigoon van Joyce, integendeel.

Uit het voorgaande zal al duidelijk zijn dat bij Krijgelmans het hoe belangrijker is dan het wat. En het is inderdaad zo dat sinds Homeros amper nieuwe thema’s in de literatuur zijn geïntroduceerd. Het draait steeds rond de condition humaine (liefde, dood, oorlog…zeg maar). En wat in de loop van een literatuurgeschiedenis verandert, is de manier waarop die thema’s gehanteerd, uitgewerkt worden, welke accenten worden gelegd enz.  Krijgelmans is dus een typische maniërist. Volgens Rudiger Zymner komt maniërisme in de literatuur erop neer dat het artistieke, het kunst-matige karakter van een tekst sterk op de voorgrond wordt geplaatst, totaal geaccentueerd wordt, om zodoende een reactie uit te lokken van de lezer, in positieve of negatieve zin.

Krijgelmans beantwoordt m.i. volledig aan die definitie. Maniëristen, aldus Arno Schmidt, zijn het zout van de kunstwerelden. In het buitenland wordt dit begrip dan ook ernstig genomen en Schmidt bv. wordt o.a. bestudeerd als maniëristisch kunstenaar. In het Nederlandse taalgebied is dat woord jammer genoeg een scheldwoord. Totaal ten onrechte.

Een accent dat ten opzichte van het vroegere werk duidelijk naar voren springt in deze twee bundels is dat van de humor en het plezier. Spaanse vlieg! was nog van een grote, groteske somberheid, en ook in de vroegere verhalen waren de themata van taalafbraak, onmogelijkheid tot communicatie enz. zodanig verwoord en uitgewerkt dat de verhalen ook pareltjes van negatieve logica werden. In Bok werd Krijgelmans daarvoor trouwens gekapitteld.

Hier is Krijgelmans dus luchtiger geworden, zelfs wanneer hij de zwaarste thema’s aanpakt, zoals de filosofie van Michel Foucault (foe-ko) in Tandafslag. Of zoals in ‘Kerels van schrift’ (enkelvoud!) in de tweede bundel, waarin het over dagdromerijen van een schrijver in de trein gaat, met o.a. verwijzingen naar L’histoire d’O, maar ook naar uitgeversmentaliteiten. Ook elders vind je soms van die allusies, soms zeer subtiel: in misschien wel het ‘moeilijkste’ verhaal, ‘Het duivelsmaalhoorig’ is Gezelle bv. aanwezig. Een voorbeeld nog uit het korte verhaal ‘Folie à deux’ dat eigenlijk niets anders doet dan een seksuele roes evoceren (men lette weer op het ook voor Arno Schmidt zo typische aspect ‘rijmproza’, en op de algemene muzikaliteit trouwens):

“Wat een heidens feest. Wat een bravouregeluk. Wat een levendig sarabandaar. Om dan te besluiten met een dol derwishgetol en een jive uit hun jeugdig afstandelijk hals-over-kop, bezegeld met een pelvis zonder Elvis en een kus als geen, totdat ze zelfvoldaan gepriemd en besprenkeld tijdens de hoge nacht elkaar bespraken voor een volgend weerom in de uiterste zaligheid van hun kommerloos wel en wee.”

Beide nieuwe bundels worden ingeleid door Bart Vervaeck. Diens inleidingen zijn beknopt en verhelderend, houden zich nauwgezet aan de tekst van Krijgelmans, en geven zeer duidelijk zowel de technieken als de thematieken van deze verhalen weer. Het enige verwijt dat je ertegen zou kunnen inbrengen, is dat hij Krijgelmans amper in een context plaatst, terwijl het belang van zulke schrijvers toch enkel op die manier afgemeten kan worden. Temeer omdat Krijgelmans in de Nederlandse letteren een bijna totale eenzaat is: Ivo Michiels zou je kunnen aanhalen, maar mijns inziens enkel zijn Exit en dan nog. En de technieken van Polet in zijn experimenteelste romans zijn ook van een andere aard dan wat Krijgelmans doet.

Door zijn ongehoorde taalcreativiteit is Krijgelmans een unieke verschijning in de Nederlandse letteren, wiens werk veel belangrijker is dan de doorsneesnert die door grote uitgevers op de dagmarkt wordt gebracht. We mogen Het Balanseer dankbaar zijn dat zij dit oeuvre (en dat van de al evenzeer verwaarloosde en even belangrijke Willy Roggeman) opnieuw onder de aandacht brachten.

Bron foto: vermoedelijk (maar niet zeker) VPRO.nl

9 April 2009   Geen Commentaar   Printen Printen  

Bommi en Annemarie

Bommi Baumann, waar ik het een tijdje geleden over had, komt uit een proletarisch milieu. De vlotte verteltrant, de stijl zonder veel opsmuk, maar zeer direkt en aansprekend, zullen daar wel iets mee te maken hebben.

Annemarie Schwarzenbach komt uit de bourgeoisie, de Zwitserse dan nog wel. Haar Duits is het literaire Duits van het Bildungsbürgertum.

Toch hebben ze iets met elkaar te maken: beiden waren verslaafd, de ene aan heroïne, zij aan morphine (ze is er ook, schijnt het, aan dood gegaan), maar vooral: beiden reisden naar Afghanistan en schreven daarover een reisbericht. Over dat van Bommi heb ik het al gehad.

schwarzenbach Bommi en AnnemarieSchwarzenbach (Alle Wege sind offen. die Reise nach Afghanistan 1939/1940, herausgegeben und mit einem Essay versehen von Roger Perret, Lenos Verlag, Basel, 2008) kon zich door haar rijke familie veroorloven in de jaren dertig veel te reizen, ook naar Afghanistan dus. Voor arbeiders was dat toen ondenkbaar: die moesten zich ofwel laten doodschieten voor de Führer ofwel voor hem zwoegen voor weinig geld. De huidige toestand is uiteraard een verandering ten goede, maar dat is geen verdienste van een systeem, laat staan een individu of individuen. Dat is wat men de loop van de geschiedenis noemt, of de vooruitgang, of de sociaal-economische ontwikkeling, en die kan even zo goed morgen weer totaal omslaan, als het in het kraam van onze machthebbers past.

Soit. Het proza van Schwarzenbach is totaal anders dan dat van Baumann: het is veel lyrischer, soms doet het mij in zijn vervoering denken aan de vroege boeken van Hélène Nolthenius bij ons. Baumann is duidelijk de betere observator, degene die altijd toch een beetje afstand weet te behouden, wat overigens geen enkele afbreuk doet aan ook zijn betrokkenheid bij wat hij ziet en meemaakt. Je zou het een afstandelijke betrokkenheid kunnen noemen.

Opvallend lijkt me ook dat er in al die jaren tussen 1940 en de jaren zeventig in Afghanistan eigenlijk weinig veranderd schijnt te zijn. Ook elders gaat dat op, want beiden volgden dezelfde weg, over de Balkan, via Turkije en Perzië. Enkel in de Balkan schijnen er werkelijke veranderingen te hebben plaatsgehad, hetgeen uiteraard aan de geschiedenis te wijten is. Maar Schwarzenbach gaat eigenlijk niet erg diep in op wat ze ziet in de streken waar ze met haar vriendin doorheen trekt. Ze schrijft wel mooie, lange, literaire zinnen, maar blijft in haar beschrijvingen toch eerder aan de oppervlakte. Dat verandert enkel een beetje wanneer ze in Afghanistan zelf is, en het daar heeft over de vrouwen, hun kleding, hun rol in de familie en de samenleving.

Beiden leggen ook zeer sterk de nadruk op de vriendelijkheid en de gastvrijheid van de mensen aldaar, overal waar ze komen. Als je weet dat Schwarzenbach met een vriendin reisde, is dat nog verwonderlijker dan in het geval van Baumann: twee niet-gesluierde vrouwen zonder man op reis in een wereld waar vrouwen eigenlijk enkel binnen het huisgezin en de woning aanwezig waren, maar daarbuiten bijna overal zwaar gesluierd rond moesten lopen. Voor vreemdelingen, zelfs vrouwen, was het blijkbaar geen enkel probleem er totaal anders bij te lopen, als een provocatie werd dat niet ervaren.

Kom daar nu maar eens om in Afghanistan, sinds de ‘democratie’ daar is uitgebroken, of heeft toegeslagen, hoe moet je dat zeggen. Het is effenaf ondenkbaar dat westerlingen - vrouw óf man - nu nog vrijelijk zouden kunnen rondreizen in dat land. Binnen de kortste keren werden ze ontvoerd en hun koppen afgesneden. En dat hebben we allemaal te danken aan onze machthebbers, aan waanzinnige moordorganisaties als de Nato, die enkel en alleen dienen om de westerse economische belangen te beveiligen, ten koste van alles en iedereen, honderdduizenden doden inbegrepen als het moet. Schwarzenbach zelf zegt het aldus:

“Nie hatten wir es nötig, unser Zelt aufzuschlagen und unsere Suppe selber zu kochen. Wir wurden in den Dörfern vom Bürgermeister begrüsst, mit Tee und Trauben bewirtet. Am Abend führte man uns in schöne Gärten, aufmerksame Diener trugen den Pilaf, das einheimische Reisgericht, auf, und während wir assen, kam der Gastgeber mit seinem Gefolge, um uns seinen Besuch zu machen, und unterhielt sich oft lange und eingehend mit uns.”

In het hoofdstuk ‘Die Frauen von Kabul’ heeft zij het expliciet en indringend over de angst en de achtergesteldheid van vrouwen onder de chador, maar merkt toch ook het begin op van een mogelijke emancipatie, van een mogelijk binnendringen in deze wereld van wat ik bij gebrek aan beter ook maar het ‘modernisme’ zal noemen.

Dat is uiteindelijk niet gebeurd, integendeel zelfs, en zal ook tijdens de eerstkomende decennia van deze eeuw niet gebeuren. Daar heeft het westen en haar ‘taliban’ genoemde schepping wel voor gezorgd.

8 April 2009   Geen Commentaar   Printen Printen  

Stekel

stekel StekelVandaag geopereerd aan een dubbele liesbreuk. Dat levert dubbele pijn op: de normale pijn van de snijwonden en de ermee gepaard gaande kneuzingen enerzijds; en anderzijds een onnoemelijk scherpe pijn als van gloeiende breinaalden op die plaatsen waar de matjes zich aan het weefsel moeten hechten.

Vandaag is een boek aangekomen waar ik al lang naar zocht: Wilhelm Stekel “Sadismus und Masochismus”.

6 April 2009   Geen Commentaar   Printen Printen