Kouwenaar, ten Kate en het sonnet.
Gepost door Peter | 3 Mei 2008
In een voetnoot van zijn memoires over de beweging van Vijftig levert Jan Elburg o.m. de volgende commentaar op een passage in Fokkema’s Het komplot der Vijftigers: “blz.90 Kouwenaar laat in 1941 het sonnettenbundeltje ‘Vroege voorjaarsdag’… Onjuist: het bundeltje bevatte geen sonnetten. Kouwenaar heeft, voor zover mij bekend, tot nog toe één sonnet geschreven dat begint met Vervloekt sonnet, hangmat voor luie zielen.”[1]
Wat het bundeltje betreft had Elburg gelijk, wat dat ene sonnet betreft niet: in het vierde nummer van het clandestiene tijdschrift Parade der profeten, uit 1944, stond nog een sonnet van Kouwenaar, onder de titel ‘Aan den here baardman Floris d’Arkeneel’, en gepubliceerd onder het pseudoniem Gérard Q. Bleyenburgh.[2] Daar komt nog bij dat het eerstgenoemde sonnet deel uitmaakte van een verder nooit gepubliceerde cyclus, zodat Kouwenaar nog meer sonnetten geschreven heeft, maar die zijn nooit gepubliceerd.[3]
In dit korte opstel zou ik het o.a. over dit sonnet van Kouwenaar willen hebben. Ik geef eerst de tekst:
”Vervloekt sonnet, hangmat voor luie zielen,
dommelend in treinen die door duister gaan,
schommelend op dreunen van verreisde wielen -
in veertien regels wordt een eeuw verdaan.In ‘t dubbel venster-vierkant van kwatrijnen
zes-armig kimlicht zwaaide zich voldaan -
de doffe ruit versluiert onheilsseinen,
die van Amstel tot Seine veilig staan.Ach, reiziger, wat zoekt gij naar een huis
voor veertien regels in barbaarse jaren?
Het stormde lang - de taaiste najaarsblaren
luisteren verwonderd naar hun ijl geruis:
oase tussen bliksemschicht en donder -
wieg u in slaap en dromend gaat gij onder.”
Volgens Roegholt[4] dateert de cyclus waar dit sonnet uit stamt uit de winter van 1946/47, een periode dus waarin de overlevenden van de Duitse concentratiekampen terugkeerden en waarin de gruwel van de nazietijd pas goed bekend raakte en doordrong. Dat is de maatschappelijke achtergrond van dit sonnet, ook al is die achtergrond slechts impliciet aanwezig, zonder ook maar één enkele directe verwijzing. Op een onbewust niveau heeft misschien het bekende vers van Hoornik, ‘Het is maar tien uur sporen naar Berlijn’ uit het gedicht ‘Pogrom’[5] meegespeeld om tot de centrale treinmetafoor van het gedicht te komen, maar dan in elk geval niet als ‘contravorm’ bij dat laatste.
Dat kan voornamelijk worden afgeleid uit het feit dat Hoorniks gedicht een direct politiek gedicht is - een sonnet overigens - terwijl dat aspect bij Kouwenaar volledig ondergeschikt is aan het poëticale. Kouwenaar doet een uitspraak over poëtica, Hoornik over politieke gebeurtenissen. Hetgeen niet belet dat politieke gebeurtenissen wel aan de oorsprong liggen van die poëticale uitspraken, er de rechtstreekse oorzaak van zijn. Inderdaad, heel de teneur van Kouwenaars sonnet kan als volgt worden samengevat: gelet op de barbaarse tijden die pas achter ons liggen is het onmogelijk nog sonnetten te schrijven.
Welke zijn de verwijten die Kouwenaar aan het adres van het sonnet richt, en daardoor ook aan de vertegenwoordigers van een achterhaalde poëtica?
Het eerste is: luiheid, gemakzucht, zich tevreden stellen met gebaande paden (‘verreisde wielen’), waardoor elke originaliteit, elke vernieuwing, elk avontuur vanaf het begin uitgeschakeld en onmogelijk gemaakt worden. Het dactylische begin van de middelste verzen van het eerste kwatrijn is daar een icoon voor, op een dubbele wijze: vooreerst moet het ritme ervan, met de twee onbeklemde lettergrepen als het ware het stilvallen en inslapen van een oorspronkelijke toestand suggereren, hetgeen hier nog versterkt wordt door het aspect rijm, maar anderzijds is een dactylisch ritme in een sonnet uiterst ongewoon en zeldzaam, zelfs zo kort als hier, zodat het gebruik ervan op zichzelf al iconisch staat voor een neiging tot vernieuwing.
Ofschoon de verwoording wat te wensen overlaat lijkt het me toch duidelijk dat in de tweede strofe aan het sonnet verweten wordt, dat het alles wat gevaarlijk, ongemakkelijk, bedreigend etc. is in de wereld versluiert, niet wenst te zien dus, maar zich liever opsluit in zelfvoldaanheid, die enkel naar binnen (de roemruchte navel) wil staren, en niet naar buiten.
De twee eerste verzen van het sextet zijn explicieter: een huis wordt gezocht, een veilige woonplaats dus, waar men zich ook thuis kan voelen, maar de veertien regels van het sonnet zijn voor een dichter daartoe niet geschikt omwille van de ‘barbaarse jaren’. Dat zijn natuurlijk op de eerste plaats de oorlogsjaren, maar ook vlak na de oorlog was de wereld, met al zijn onzekerheden en daaruit voortvloeiende angsten, met de nieuwe conflicten die al zichtbaar werden voor wie zien wou, geen echt rustgevende en harmonische plaats. De laatste vier verzen variëren die idee nog eens door middel van een metafoor: de storm is natuurlijk de oorlog, die nu voorbij is, maar het laatste vers verwittigt de lezer: als hij zich in slaap laat wiegen door geruststellende sprookjes zal hij ook onder gaan, samen met de herfstbladeren, die wel voor de oude vormen en gedachten zullen staan.
Gemakzucht, verblindheid, weigering om de feiten en de werkelijkheid onder ogen te zien: daarop komt het gebruik van de sonnetvorm volgens Kouwenaar dus neer. Daarmee is dit duidelijk een ideologisch gedicht, van een dichter die, toen hij het schreef, vast medewerker was aan het communistische dagblad De Waarheid. Dat laatste is echter aan dit gedicht, net zomin als aan de andere gedichten van Kouwenaar, niet te zien. De impliciete oproep om zich met de wereld bezig te houden, zich te engageren, wordt nooit echt geëxpliciteerd, we krijgen nooit met partijlyriek in haar engste betekenis te maken, en daarbij denk ik vooral aan sommige gedichten van de late Gorter.[6]
Meer dan, of evenzeer als een politiek gedicht is dit dus een poëticaal gedicht. Wat dat betreft sluit het nauw aan bij een algemene aversie tegen het sonnet in die tijd. Zo sprak Vinkenoog in Blurb over “Al dat gerijmel van mensen die hun vuilnis leegstorten in een gereedliggende veertienregelschuit”,[7] terwijl Halbo C. Kool stelt dat “rationalisten en classicisten de schoonheid (hebben) willen fatsoeneren tot een gestandaardiseerd cliché met historisch vastgelegde maten voor heup-, taille- en borstwijdten”.[8] Hetgeen niet belette dat een goeie vijf jaar na Kouwenaars sonnet, in 1950, de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden een prijsvraag voor een sonnet uitschreef, waar 575 reacties op kwamen.[9]
Het vierde vers van Kouwenaars sonnet luidt: “in veertien regels wordt een eeuw verdaan.” Ongeveer een eeuw voordat Kouwenaar zijn anti-sonnet-sonnet schreef, publiceerde een bekend 19de-eeuws dichter, de dominee J.J.L. ten Kate, ook reeds een sonnet tegen het sonnet, of, zoals de echte titel luidt: “Sonnet op het sonnet”:
“Geverfde pop, met rinkelen omhangen,
Gebulte jonkvrouw in uw staal’ korset,
Lamzaligste aller vormen, stijf Sonnet !
Wat rijmziek mispunt deed u ‘t licht erlangen?Te klein om één goed denkbeeld op te vangen,
Voor epigram te groot en te koket,
Vooraf geknipt, koepletjen voor koeplet,
Krooptge onverdiend in onze minnezangen.Neen! de echte Muze eischt vrijheid; en het Lied,
Onhoudbaar uit het zwoegend hart gerezen,
Zij als een bergstroom die zijn band ontschiet!Gij deugt tot niets, ten zij het deugen hiet,
Om, enkel door de broddelaars geprezen,
Op GEYSBEEK een berijmd vervolg te wezen.”[10]
Vreemd misschien, maar tussen dit sonnet van Ten Kate en dat van Kouwenaar zijn overeenkomsten te vinden, maar ook verschillen uiteraard. Laten we eerst eens ziens wat Ten Kate aan het sonnet verwijt.
In het eerste kwatrijn is dat stijfheid, waaronder waarschijnlijk het strakke schema verstaan moet worden, de vaste regels (veertien verzen, twee kwatrijnen, twee terzinen, een volta, een rijmschema dat wel enige vrijheid toelaat, maar niet veel…), alsmede de orde en de tucht (‘staal’ korset’) die daarmee gepaard (moeten) gaan. Dat aspect kwamen we ook, zij het in ondergeschikte orde, bij Kouwenaar tegen. Een tweede verwijt in dit eerste kwatrijn betreft het opgedirkt zijn als een juffrouw van lichte zeden: de verf en de ‘rinkelen’ - moeten we daaronder een autonome beeldspraak, of gewoon een te veel aan beeldspraak verstaan? - moeten blijkbaar een gebrek aan inhoud verbergen.
En daar gaat het tweede kwatrijn dan over, want uit die gedrongen, opgedirkte, vooraf bepaalde vorm vloeit volgens Ten Kate het feit voort dat het sonnet als vorm nergens voor deugt: de korte, naar een opvallende en verrassende pointe toewerkende, maar anderszins vrije vorm van het epigram heeft het niet, want daar is het te lang voor; maar om een idee grondig uit te werken daarentegen is het weer te kort. Vlees noch vis dus, zo luidt hier het verwijt.
Bij Kouwenaar was niet echt van een volta sprake na het octaaf, eerder van een verdere uitwerking van het initiële gegeven. Het eerste woord van het sextet bij Ten Kate daarentegen wijst reeds expliciet en onomstotelijk op een keerpunt, een tegen-stelling. Het niets aan de verbeelding overlatende, apodictische ‘neen!’ wijst het sonnet en wat het (niet) inhoudt, zoals dat in de kwatrijnen geschetst werd inderdaad onverbiddelijk van de hand, en stelt in de eerste terzine de poëtische waarden, die Ten Kate wel van belang vindt, expliciet daar tegenover.
Elk der drie verzen is daarbij van belang, omdat elk een belangrijk element bevat. Het eerste legt de nadruk op de vrijheid, die in tegenstelling gezien wordt met de strakke regels van het sonnet. Ofschoon onuitgesproken was dat element ook bij Kouwenaar aanwezig, want mensen die zich door zoetgevooisde dromen of jambendreun in slaap laten wiegen zijn uiteraard onvrij. Waar nog bij komt dat Kouwenaar een vijftiger is, en dat voor die beweging vrijheid, zowel breed politiek als beperkt poëticaal, centraal stond. Ook de nadruk op spontaneïteit en emotie in het tweede vers kunnen gemakkelijk aan de poëtica van de beweging van Vijftig gelinkt worden. En datzelfde geldt natuurlijk voor het derde vers, dat een krachtige persoonlijkheid vooropstelt, die zich van geen grenzen of regels iets aantrekt, maar zich origineel en authentiek gedraagt.
Zodoende kan deze eerste terzine eigenlijk gelezen worden als een samenvatting van de poëtica van de Vijftigers, hoe vreemd dat ook lijken mag, zeker uit de pen van een Ten Kate. Hij gaat daarin zelfs verder dan Kouwenaar, die zich in zijn expliciete uitingen beperkte tot een oproep om de ogen open te houden, om zich niet in slaap te laten wiegen, om de gevaren en mogelijkheden van de werkelijkheid onder ogen te zien en daarmee in poeticis rekening te houden. Alles wat uit die stelling verder nog voortvloeide, of wat eraan voorafging als vooronderstellingen bleef impliciet bij Kouwenaar, maar het valt wel grotendeels samen met wat Ten Kate in zijn eerste terzine zeer expliciet zegt.
De verklaring daarvoor hoeft echter niet ver gezocht te worden: het beroep dat door Ten Kate gedaan wordt op vrijheid, oorspronkelijkheid, gevoel etc. verwijst naar een romantische poëtica. En ondertussen heerst al wel een algemene consensus om te stellen dat het begin van het modernisme juist in de romantiek gezocht dient te worden. De beweging van Vijftig was van datzelfde modernisme de eerste volle en voldragen uiting in de Nederlandse letterkunde. Het spreekt derhalve vanzelf dat er overeenkomsten zijn tussen de poëtica’s van de romantiek en van de vijftigers in beperkte zin, en tussen deze beide en een mogelijke algemene poëtica van het modernisme in bredere zin.
In het licht daarvan valt gemakkelijker te begrijpen dat er zelfs tussen twee in tijd, schriftuur en mentaliteit zo ver uiteen liggende figuren als Gerrit Kouwenaar en J.J.L. ten Kate in minstens het hier behandelde voorbeeld meer dan oppervlakkige overeenkomsten vastgesteld kunnen worden.
[1] Jan G. Elburg: Geen letterheren. Uit de voorgeschiedenis van de vijftigers. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam, 1987, p. 171.
[2] De tekst van dit sonnet alsmede de achtergrond ervan is te vinden in: Piet Calis: Het ondergronds verwachten. Schrijvers en tijdschriften tussen 1941 en 1945. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam, 1989, pp. 265 e.v.
[3] Cf. de uitleg van Richter Roegholt bij zijn publicatie van het eerstgenoemde sonnet, in: Dr. Richter Roegholt: De geschiedenis van de Bezige Bij 1942-1972. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 1972, p. 338.
[4] Cf. ibidem.
[5] Ed. Hoornik: “Pogrom”, in: Verzamelde gedichten, Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam, 1979, p. 93.
[6] Rond diezelfde tijd publiceerde Kouwenaar in De Waarheid een kort artikel over Gorter (Gerrit Kouwenaar: ‘Herman Gorter stierf twintig jaar geleden’, in: De Waarheid, 20 september 1947), waarbij vooral opvalt dat hij Gorter eerder vanuit esthetisch oogpunt bekijkt dan uit politiek.
[7] Geciteerd naar: Piet Calis: Het electrisch bestaan. Schrijvers en tijdschriften tussen 1949 en 1951. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam, 2001, p. 121.
[8] Halbo C. Kool: Muze zonder corset. Tien thema’s met variaties ter inleiding op de experimentele poëzie. C.P.J. Van der Peet, Amsterdam, 1955, p. 149.
[9] Cf. Marije Groos: “575 sonnetten uit de tijd van ‘50. De Maatschappij geeft vergeten schatten prijs”, in: Nieuw Letterkundig Magazijn, jg. 19, 2001, pp. 2-8.
[10] Geciteerd naar: BRAGA, dichterlijke mengelingen, uitgegeven door een dichtlievend gezelschap onder de nooit gebruikte zinspreuk ‘Utile Dulci’. Nieuwe uitgave met inleiding en toelichting van A. Winkler Prins. A. Ter Gunne, Deventer, 1883, p. 195. De oorspronkelijke afleveringen van Braga, dat twee jaargangen kende, verschenen in de eerste helft van de jaren veertig van de negentiende eeuw, met name tussen 1842 en 1844.
Onderwerp: Dagnotities | Print deze bijdrage | Geen reacties »
Illustraties, lettertypes etc…
Gepost door Peter | 1 Mei 2008
Het stijlblad werd aangepast. Nu zouden alle illustraties weer op de juiste plaats moeten staan.
Het lettertype van de bijdragen werd iets groter gemaakt. Zo zijn de teksten prettiger leesbaar.
Suggesties zijn welkom.
Groeten van Sitetechnicus Diana
Onderwerp: Technische Tips | Print deze bijdrage | Geen reacties »
In Memoriam II
Gepost door Peter | 10 Februari 2008
god dat helse licht in een dichtershoofd
als een klok van brons die barst
tot aan de einder en de duisternis
tot in die verste onherbergzame velden
waar ook geen geesten meer dwalen
alle paden en straten van stad en land
liggen verweesd en als lang verlaten
en enkel verwaten verblinde onverlaten
of aterlingen zoeken woedend verder
naar dat gestorven brokje windkei
totdat zij zoals eenieder in hun borst
dat gehavende hart ontdekken en zwijgen
dan rijgen zij woorden van wanhoop aaneen
die direct weer verdwijnen in ijle lucht
als vruchten die vallen van verderf vanbinnen
er is geen beginnen aan geen verstillen
de ogen sluiten voor die wereld daarbuiten
en teruggaan jij eromenos toen ganymedes
alsof een geheim tussen hen groeide
dat hen bond maar die ikloze jongen
was bronstig van taal alleen zoals jij
bij dat laatste boek sterven wij nooit meer
Onderwerp: Poëzie | Print deze bijdrage | Geen reacties »
Een Loflied op de Vriendschap - Jan de Roek Revisited
Gepost door Peter | 24 Januari 2008
1.
Het moet ongeveer vijfentwintig jaar geleden zijn, dat Jan de Roek bezig was de laatste hand te leggen aan zijn lange gedicht Jeunesse Dorée, dat de bekroning van zijn jeugdwerk had moeten worden. In de jaren 69-71 circuleerden in de vriendenkring van de dichter meerdere, vaak van elkaar afwijkende typoscripten van het gedicht (1). Maar in I971 kwam Jan de Roek bij een verkeersongeval om het leven. En kreeg men de indruk dat zijn Jeunesse Dorée mèt hem gestorven was.
Ongeveer een jaar voor zijn dood - heel juist herinner ik het mij niet meer - ontmoette ik Jan de Roek in het café van de Brusselse studenten, bij Margot. We spraken over poëzie in het algemeen en ik stelde hem vragen over zijn poëzie in het bijzonder. Met name vroeg ik hem wanneer hij nou eindelijk eens in boekvorm ging publiceren. Hij wachtte een ogenblik en antwoordde toen met zijn typische glimlach dat wij wat hem betrof zijn werk postuum mochten uitgeven.
Toen hij dood was hebben enkele van zijn vrienden dat geprobeerd. Eerst zou het Verzameld Werk door Johan Sonneville uitgegeven worden. Alles was reeds in kannen en kruiken, het ministerie had hem de nodige subsidies uitgekeerd. Maar toen besloot Sonneville met de ene helft van het geld een Hongaarse dichter uit te geven en de andere helft op te zuipen. Alle vlees is als gras, zal hij wellicht gedacht hebben.
Uiteindelijk werd dan toch de Antwerpse uitgever Robert Llowet de Wotrenge van de Pink Editions & Productions bereid gevonden het werk van de Roek uit te geven. In mei I980 verschenen de twee mooie, in grijs linnen gebonden banden, éen met de poëzie, éen met de essays. Jammer genoeg werd er totaal niets gedaan om enige ruchtbaarheid aan de publikatie te geven. Resultaat : één enkele recensie, van Nicole Verschoore in Het Laatste Nieuws. En daarenboven werd een zeer groot deel van de oplage nooit ingebonden, zodat in feite slechts een heel klein aantal exemplaren werkelijk verspreid werd. Het resultaat is dat Jan de Roek binnen de kortste keren vergeten werd, alsof hij nooit had bestaan, alsof hij geschrapt werd uit de Nederlandse letteren.
“Wie houdt mijn nagedachtenis in ere ?
Een roos tussen de neushoorns,
een verschrikte vogel tussen edelvrouwen
en hun valkeniers ?
Wie legt er straks mijn kwelrijmen uit,
mijn halve woorden, mijn gestamel, straks,
aan het schijnheilig water, het verwaten staal,
het schaamteloos glas ?”
(VG, p. 30) (2)
zo vraagt hij zichzelf in Jeunesse Dorée af, en alsof hij zelf het antwoord reeds weet :
“Niemand luistert.
Niemand luistert.
Niemand kent mij nog.”
(p. 41)
000
Jeunesse Dorée - waarover ik het in dit opstel bijna uitsluitend zal hebben - is een collagegedicht in die zin, dat ongeveer de hele vroegere poëzie van de dichter er in een gecondenseerde vorm in verwerkt werd. Eigenlijk heeft de Roek drie dichtbundels geschreven: Voelen uit het einde van de jaren 5O, De Onhandige Gedichten uit I960, waarvoor hij in datzelfde jaar de poëzieprijs van de provincie Antwerpen kreeg, en Jeunesse Dorée. Van deze drie bundels bestaan telkens verschillende versies (3), zodat men zich met recht mag afvragen of de versie die in de Verzamelde Gedichten werd opgenomen en die alleszins de laatste is, ook als definitief bedoeld was.
Jan de Roek wou duidelijk nog niet in boekvorm uitgeven. Als hij het had gewild had hij dat al jaren kunnen doen. Die onwil moet dus wel samenhangen met zijn opvattingen over poëzie. M.i. ligt aan die houding het Mallarméaanse concept van het Grand Oeuvre ten grondslag, het Werk dat per definitie nooit af is, dat steeds een Work in progress blijft. Een Opus Finitum is vanuit dat standpunt een contradictio in terminis. Zelfs de dood maakt een werk niet af, want andere tijdperken en andere lezers kunnen een bestaande tekst totaal vernieuwen.
Een kwart eeuw later is Jeunesse Dorée nog steeds even leesbaar. Meer zelfs, zowel door zijn thematiek als door zijn heterogeniteit wat de stijlmiddelen betreft, is het gedicht nu moderner dan ooit, al was het maar omdat een post-moderne lectuur ervan a.h.w. voor de hand ligt. En dat buiten alle modecenakels om, want de tekst is tenslotte inderdaad vijfentwintig jaar oud. Lees de rest van het bericht »
Onderwerp: Essays, Vrijmetselarij | Print deze bijdrage | 1 reactie »
In Memoriam
Gepost door Peter | 23 Januari 2008
een gedoemde zoon van adam en eva
zoals jij steeds langzamer op zoek
naar dat nooit vergeten onherstelbare
onvindbare ontroostbaar barre paradijs
in alleen maar het eigen hopeloze hoofd
zekerheid vind je enkel bij hem
die savonds komt aangeslopen
als snode maar welbekende
gemeenplaatserig ongenode gast
gans openlijk en totaal ongeremd
zet zijn bezoek je klem
een stroom van blijvend beklijvende
op de tijd voortdrijvende woorden
neemt het roer nu over van die vriend
van je magerder dan jijzelf een engel
met zijn knokige tover en die geen
veiligheid meer biedt
de vijf boeken zwijgen en de gensters
van de goddelijke vonken doven
hier geen oorlog meer en geen vrede
maar God draagt de hele wereld
in die laatste warme hand van jou
Onderwerp: Poëzie | Print deze bijdrage | Geen reacties »
Sint Vincentius
Gepost door Peter | 27 December 2007
pijn zijn
zonder einde
beklijven op golven
van een gelijkmatig
zeurende of snerpende
of dof kloppende zee
met kaken vol weerhaken
haken naar de stilte en de kilte
van die winter toen
elke woede nog groeien moest
as en stof
en schaduw
van wat nooit
een werkelijkheid was
een lijf dat er gelegen heeft
laf wellicht als een kreeft
van liefde
geen plek hier geen snoeimes
dan om ik zelve weg te snijden
zonder verbijten
en in z’n geheel
zodat die weerloze weelde der wereld
verdwijnen kan uiteindelijk
in de zee zonder zangen
Onderwerp: Poëzie | Print deze bijdrage | Geen reacties »
Es wird Abend
Gepost door Peter | 17 December 2007
Hoe veel je ook leest, altijd zullen er meer schrijvers zijn die je niet dan die je wel gelezen hebt. Eén van hen is Otto Flake, waarvan ik een goeie maand of zo geleden al Es wird Abend. Bericht aus einem langen Leben las. Hoe ik eraan kwam, weet ik niet meer. Waarschijnlijk hier of daar erover gelezen. Daarbij komt mijn voorliefde voor dagboeken, brieven, memoires.
Flake - schrijver vooral van romans en verhalen - is afkomstig uit een grensgebied tussen twee talen en twee culturen: de Elzas. Dat maakt hem in zekere zin tot een bruggenbouwer.
Maar zijn herinneringen gaan meer over het persoonlijke leven dan over het openbare leven - dit laatste dan begrepen als ‘politiek’ leven. Flake staat nog met beide voeten in de 19de eeuw, en uit dit boek blijkt althans dat hij behoort tot die groep die men in Duitsland het ‘Bildungsbürgertum’ noemde. Dat zijn niet noodzakelijkerwijze bourgeois in de sociaal-economische betekenis van dat woord. Flake zelf is bv. eerder uit een kleinburgerlijk gezin afkomstig. Maar wist zich door leergierigheid, talent en de nodige inspanning en hulp omhoog te werken tot een vooraanstaand auteur (en vertaler ook, niet onbelangrijk). Een konservatieve auteur, dat wel. Hetgeen reeds uit de stijl van dit boek blijkt: het is geschreven in een aandachtig, weloverwogen, maar ook Frans aandoend helder Duits. Het ritme is 19de-eeuws langzaam, en doet me een beetje denken aan het ritme van de romans van Fontane. Maar het leest toch vlot.
In het leven van Flake treedt de politiek pas echt op de voorgrond met de machtsgreep van de nazies. Hij is te konservatief om Duitsland te verlaten, wordt ook lid van de Kulturkammer (hoewel aarzelend) en blijft in de mate van het mogelijke publiceren. Maar zijn houding tegenover de nazies is ondubbelzinnig: het is die van Stefan George: verachting voor het onwetende, oerdomme plebs dat de nazies zijn.
Flake leefde van zijn pen, en kon zich dus ook niet veroorloven in het openbaar tegen de machthebbers op te treden. Zelfs voor wat betreft de uitgaven van zijn werk moest hij compromissen sluiten. Maar zeker is wel: waren de notities die uiteindelijk tot deze memoires geleid hebben in de handen van de nazies gevallen, dan had dat zeker concentratiekamp en waarschijnlijk dood en foltering betekend.
Op de verwijten van de emigranten gaat hij weinig of niet in, noch tijdens de nazieperiode noch daarna. Hij vond dat hij zichzelf niks te verwijten had, en in tegenstelling tot Benn bv. had hij inderdaad nooit de zware vergissing begaan de al te luide loftrompet op de nazies te gaan blazen. Daarvoor had hij de waarden van dat konservatieve Bildungsbürgertum toch te goed in zich opgenomen.
In enkele passages valt op dat de vooroordelen tegen de joden, die niet typisch zijn voor de nazies, openlijk worden uitgesproken. Het is goed dat de auteur (bij de eerste publicatie van deze memoires) en de uitgever dit hebben laten staan. Of de politiek-correcte meute in Duitsland erover gevallen is, weet ik niet. Maar die vooroordelen waren vanaf het midden van de 19de eeuw tot het midden van de 20ste zo algemeen dat het dwaas zou zijn ze te willen verbergen. Het zijn trouwens slechts enkele passages in dit toch omvangrijke boek.
De houding van Flake is er ook een van afstandnemen, van stoïcisme uiteindelijk, zowel tegenover wat hemzelf overkomt, als tegenover de geschiedenis, de politieke verwikkelingen. Waar je als individu inderdaad enkel het slachtoffer van kunt zijn.
Boeiende, aangename, leerrijke lectuur.
Onderwerp: Dagnotities | Print deze bijdrage | Geen reacties »
Na de apocalyps
Gepost door Peter | 9 September 2007
Rond mijn vijftiende, zestiende las ik een boek van éne John Wyndham, De Triffids komen, over een ramp die de mensheid overvalt en alle beschaving grotendeels uitroeit, en hoe enkele groepjes proberen te overleven, tegen elkaar, maar ook en vooral tegen een usurpator, de vleesetende en zich voortbewegende plant ‘triffid’. Science-fiction dus, en waarschijnlijk geen grote literatuur, ook al is het mij tot vandaag, veertig jaar later, bijgebleven. Diepe indruk heeft het dus alleszins gemaakt.
En nu las ik The Road van éne mij tot nu toe totaal onbekende Cormac McCarthy. Dat is wel een literair boek en ook als zodanig bedoeld. Ik zeg met opzet ‘boek’ en niet ‘roman’, omdat de meeste elementen die een roman tot roman maken, in dit boek ontbreken. Er is geen verhaal, geen plot, amper twee figuren (plus af en toe een schim van een bijfiguur), amper stijl. Wat je overhoudt als je een roman ontdoet van wat de meeste lezers aantrekkelijk vinden.
Het boek bestaat uit fragmenten, van een kwart tot anderhalve bladzijde. Die langere zijn dan meestal ‘dialogen’ tussen de twee figuren, een vader en zijn jonge zoon. Dialogen à la Beckett, ingekrompen tot er amper iets overblijft, het noodzakelijke waarschijnlijk, omdat er nu eenmaal stembanden zijn, en gesproken moet worden.
Dat fragmentarische karakter van het boek is volkomen iconisch: er is immers een ramp gebeurd, waardoor mensheid en beschaving grotendeels vedwenen zijn, en alles onder de as ligt. Enkel fragmenten van een leven blijven over. Over de aard van de ramp vernemen we niets. We volgen enkel de vader en zijn zoon, op zoek naar voedsel meestal, zich verschuilend onder een tentzeil, zich verbergend voor andere overblijvers, eveneens op weg naar (n)ergens.
Want dat is alles wat gebeurt: ze zijn onderweg, op weg, on the road, waarbij ze wel gebruik maken van een kaart, maar die brengt geen soelaas, want eigenlijk weten ze niet waar ze heen gaan. In hoeverre de titel verwijst naar Kerouacs beroemde roman uit de jaren vijftig is niet duidelijk, waarschijnlijk leg ik het verband zelf. Hoe doelloos de protagonisten bij Kerouac ook over de Amerikaanse highways raasden, zinloos was hun tocht niet, nooit. Zij leefden nog in een gave wereld, misschien aan de rand daarvan, maar toch. Hier blijft niets meer daarvan over. Dit is eenvoudigweg het einde. Luigi Nono noemde een van zijn stukken ooit: no hay camino, hay que caminar. Dat was nog positief bedoeld, in die zin dat er hoe dan ook vooruit gegaan werd. In dit boek is van vooruit, achteruit enz. geen sprake meer. Hoogstens is er nog beweging, leven. Maar voor hoelang nog? Op het einde sterft de vader, de jongen gaat met een ander mee, zonder dat hij of iemand weet waarheen, waartoe.
De jongen zou beter ook gestorven zijn. Zoals er, over ‘t algemeen, beter niets zou zijn dan iets. Als dat kon…
Wie een beetje bewust leeft, de actualiteit grondig volgt (dus niet via strontkranten en teevee, niet via de mainstream media kortom) weet dat de mensheid in de komende decennia rampen te wachten staan van een ongekende omvang. Zelfs als alles gewoon verder gaat, zullen de energiebronnen zeer snel, sneller dan eerst voorzien, opgebruikt raken, waardoor de Westerse economieën waarschijnlijk in elkaar zullen storten. Maar voordien zullen waarschijnlijk al oorlogen uitbreken op een veel grotere schaal dan vandaag al het geval is. Hobbes’ oertoestand zal werkelijkheid worden, en de kans is inderdaad groot dat die oertoestand ook de eindtoestand wordt. En dan heb ik het nog niet eens over de klimatologische rampen die er nog bijkomen.
Zo onrealistisch is deze roman van McCarthy dus eigenlijk niet. Het is een mogelijkheid alleszins zo al niet een waarschijnlijkheid of een zekerheid zelfs.
Zou iemand dat met plezier willen meemaken?
Statistisch gezien heb ik nog 18 jaar te gaan. Dat is eigenlijk veel. Te veel denk ik soms. Omdat de kans reëel is dat ik toch zeker het begin nog zal meemaken van wat op ons afkomt.
Overigens bestaat er een novelle uit de jaren dertig, van éne Maurits Peeters - mij al even onbekend- getiteld: Morgen: de verdelging van Antwerpen, waarin ook al zoiets opgeroepen en beschreven wordt. Niets nieuws onder de zon? Valse onheilsprofeten toen en nu? Alleen die na ons komen zullen dat gebeurlijk kunnen zeggen.
Onderwerp: Dagnotities | Print deze bijdrage | Geen reacties »
Louis Ferron
Gepost door Peter | 2 September 2007
In de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig behoorde Louis Ferron tot mijn lievelingsauteurs. Vooral omdat zijn romans veel meer zijn dan zoetsappige verhaaltjes over liefdes- en andere perikelen. Daarna heb ik hem niet meer gevolgd. Waarom? Ik weet het niet. Waarschijnlijk puur toeval. Het gebeurt zo vaak dat ik een schrijver een tijdlang volg, en dan afhaak, omdat er een nieuwe opduikt die ik persé lezen wil. En het is nu eenmaal onmogelijk alles te lezen. Maar iemand waar ik ooit van gehouden heb, blijft altijd wel een warme plek bezetten in mijn hart (dat geldt overigens niet alleen voor schrijvers).
En nu heb ik opnieuw een boek van Ferron gelezen: De Haarlemse trilogie (De Bezige Bij, Amsterdam, 2006). Het is de bundeling van drie eerder verschenen boeken, die zich alledrie in Haarlem afspelen (vandaar de titel) en die alledrie een zekere Lou Ferron als hoofdpersoon hebben, die af en toe dan ook nog het voornemen koestert om een soort autobiografie te schrijven. Misschien is het die dan ook wel die de lezer in handen houdt?
Alhoewel.
Het leven van Louis Ferron is mij eigenlijk bijna totaal onbekend. Maar toch weet ik genoeg over zijn half Duitse half Nederlandse afkomst, over zijn verblijf als kind in Bremen, over het feit dat hij inderdaad quasi zijn hele leven in Haarlem gewoond heeft, om tot de conclusie te komen, dat de schrijver van dit boek elementen uit het leven van Louis Ferron geput heeft om zijn boek te schrijven. Relaties spelen ook nogal een rol in de drie boeken, en ik vermoed dat ook daar wel elementen uit het leven van de schrijver meespelen. Maar dat weet ik niet zeker.
En toch is het boek allesbehalve een autobiografie. En wel door de stijl. Het hoofdpersonage ziet en beschrijft zichzelf door een bril waar duidelijk kleurfilters op staan, die het beeld vervormen. Dat uit zich door de stijl, die alle vormen van ironie, sarcasme en cynisme gebruikt, zonder dat het ooit verveelt. Het boek is dus totaal subjectivistisch, en het is m.i. onmogelijk de hoofdfiguur te verwarren met de mens Louis Ferron - ondanks de overeenkomsten.
Maar elke autobiograaf is toch subjectief, zal men tegenwerpen. Uiteraard. Maar de meesten proberen wel om objectief te zijn, en als ze zichzelf in een vreemd daglicht plaatsen, dan een dat hen beter doet uitkomen dan ze zijn. En dat zullen ze dan uiteraard niet toegeven. Ferron - als hij het is - stelt zich slechter voor dan hij is. Soms gaat hij bijna zo ver, dat zijn hoofdfiguur een karikatuur lijkt - een spreekwoordelijke Schlemil.
Misschien is dat een sublieme vorm van hoogmoed?
Hoe dan ook, ik vind het een prachtig boek. Het past ook uitstekend in het andere werk van Ferron. Een schrijver die veel meer lezers verdient dan hij totnogtoe gehad heeft.
Onderwerp: Dagnotities | Print deze bijdrage | Geen reacties »
Den Brabander en het leven
Gepost door Peter | 1 September 2007
Lezers van deze website kunnen in het zopas gepubliceerde essay over Stalin in de letteren ook een afdeling vinden over Gerard den Brabanders novelle Eroïca in zakformaat.
Afgelopen week had antiquariaat Hinderickx en Winderickx een exemplaar van deze novelle in aanbieding, waar de schrijver bij wijze van opdracht waarschijnlijk een kort kwatrijn had neergeschreven, dat als volgt gaat:
Werken, eten, slapen, drinken,
Droevig is des mensen lot
Zuipen, vechten, kotsen, stinken,
Slaven, sloven dan … kapot.
In zo’n positief boek, een novelle die als een zeer persoonlijke invulling van het socialistisch realisme beschouwd kan worden, is dit wel een zeer negatieve opdracht, die de strekking van het boek volledig lijkt tegen te spreken.
Maar dat is natuurlijk niet zo. Misschien, ja waarschijnlijk drukt het kwatrijn veel beter en pregnanter uit hoe den Brabander werkelijk tegenover het leven stond dan zijn novelle. Beide aspecten zullen wel tot zijn persoonlijkheid behoord hebben. En wie kan beweren dat hij uiteindelijk geen gelijk heeft met zijn versje?!
Zelden wordt een visie op het leven zo kernachtig samengevat. En toch niet zonder ironie, die je vooral in het tweede vers moet zoeken. Die ironie brengt een beetje dubbelzinnigheid erin: meent ie ‘t of meent ie ‘t niet? Of beide tegelijk misschien?
Gerard den Brabander is een man naar mijn hart.
Onderwerp: Dagnotities | Print deze bijdrage | Geen reacties »
« Vorige Berichten
Een
mens schrijft wat af in de loop van zijn leven. Soms wordt iets gepubliceerd,
soms wordt het gewoon vergeten. Veel waarde heeft het allemaal niet, maar
we zijn tenminste bezig geweest, we zijn er tenminste in geslaagd (een deel
van) de tijd te doden, en als je ook nog zou kunnen zeggen, "het is gezien,
het is niet onopgemerkt gebleven", dan is het goed. Is het niet prachtig,
dat leven van ons?!