Categorie — Dagnotities
Mak is schitterend.
De ergerniswekkende DVD’s van Mak zijn weg. Zonder spijt. Ook al was mijn oordeel erover slechts gebaseerd op de eerste reeks, en zelfs slechts een goeie helft daarvan. Maar dat volstond voor mij, ook al houdt dat uiteraard in dat de mogelijkheid dat ik me vergiste erg groot is. Soit.
Maar afgelopen zondag heb ik snel snel snel wel zijn Hoe God verdween uit Jorwerd herlezen. Dat had ik bij lectuur immers meesterlijk gevonden. Ten onrechte misschien?
Nee dus. Het was en bleef in mijn ogen een meesterwerk. Om twee redenen. Vooreerst de absolute herkenbaarheid. Ik ben eveneens in zo’n dorp opgegroeid, een dat 3000 zielen telde weliswaar, en niet de 300 à 400 van Jorwerd, maar toch: de door Mak beschreven evolutie was quasi volkomen identiek.
Nu is herkenbaarheid uiteraard geen criterium om de kwaliteit van een boek aan af te meten. Het kan enkel een richting aangeven, een reden zijn om grondiger te lezen, naar andere redenen voor een dergelijke appreciatie te zoeken.
En volgens mijn lectuurnota’s van tien jaar geleden had dat alles te maken met het marxistische karakter van het boek. Wat Mak beschrijft is de wijze waarop het kapitalisme als een soort langzame vloedgolf over het platteland spoelt, en daarbij alles wat oud en versleten is vernietigt om enkel nog plaats te maken voor the rule of money. Hij beschrijft de gebeurtenissen die dat proces aantonen, hij beschrijft de gevolgen ervan, maar in de diepte gaat hij nooit: zoals het een journalist misschien betaamt, blijft hij bij de oppervlakte, maar die heb ik zelden zo minutieus, gedetailleerd en samenhangend beschreven gezien. Wat verdwijnt zijn de resten van een pre-industriële, pre-moderne, nog in de feodaliteit verankerde sociaal-economische orde. Wat komt is kapitalisme puur. Boeiend is ook de manier waarop dit proces het gedrag en de opvattingen van de mensen verandert.
Of Mak marxistisch geschoold is, weet ik niet, maar ik vermoed van niet. Toch is dit boek een levendige illustratie van sommige stellingen uit het communistisch manifest. Je kunt beide echt naast elkaar leggen. Dat bewijst niet zozeer de profetische gaven van Marx en Engels als wel de traagheid waarmee veranderingsprocessen in het sociaal-economische zich afspelen.Maar ook andere marxistische stellingen worden hier schitterend geïllustreerd: hoe het maatschappelijke zijn het bewustzijn van de mensen verandert bv.
Ofschoon hij zeer objectief probeert te blijven, voel je toch dat Mak meer sympathie koestert voor het oude dat verdwijnt dan voor het nieuwe dat komt. Maar hij laat dat gevoel amper meespelen. De objectieve ontwikkelingstendens van de wereld die hij waarneemt geeft hij zo objectief mogelijk weer. Vandaar dat ik stel: wat Marx en Engels over Balzac zeiden, en Lenin over Tolstoi, kun je in dit geval herhalen (zonder Mak qualitate qua te willen vergelijken met Balzac of Tolstoi): goeie schrijvers geven in hun werk de objectieve veranderingen weer, ook als zij persoonlijk liever terug zouden willen of zouden willen stil blijven staan. Bij ons was Streuvels zo iemand, met zijn De teleurgang van de Waterhoek.
20 November 2009
Geen Commentaar
Printen
Gedichten
Opnieuw een bundeltje klaargestoomd, thematisch ook deze keer, met 33 gedichten. Ook al ben je slechts een amateur-dichter, dat belet niet dat je evenzeer als ‘beroepsdichters’ blijft schrappen, verbeteren, veranderen enz. Op een bepaald ogenblik moet je eenvoudigweg zeggen: genoeg nu. En dan maak je je tekst persklaar.
Zoals alle vorige zal het weer gedrukt worden op de obligate 25 exemplaren, en rondgedeeld aan bekenden. Waarbij geldt: hoe rapper ze allemaal uit huis zijn, hoe liever. Hetgeen natuurlijk niet moeilijk is bij deze oplage.
Zal ik ze ook hier publiceren? Weet ik nog niet.
20 November 2009
Geen Commentaar
Printen
Hohenmoor
In de hier te lezen studie over leven en vooral werk van Marcel Matthijs wordt uiteraard ook diens roman Menschen in den strijd behandeld, waarvan vaak gezegd wordt dat het een nationaal-socialistische roman zou zijn – de enige in zijn soort in Vlaanderen. Ik heb geprobeerd argumenten aan te dragen om die mening onderuit te halen, en aan te tonen dat die roman gelezen moet worden, en waarschijnlijk ook geconcipieerd is als een parodie op het nationaal-socialisme. Eén jaar vóór Menschen in den strijd verscheen ook in Franstalig België een roman, waarvan beweerd wordt dat hij nationaal-socialistisch zou zijn: Hohenmoor van éne Pierre Peyel (Editions de la Toison d’or, Bruxelles/Paris, 1942; over deze roman en vooral de achtergronden ervan leze men: Paul Aron: “1942 Pierre Peyel remporte le concours littéraire du Soir. Les écrivains belges et l’occupation: entre engagement et indifférence”, in: Jean-Pierre Bertrand et al. (éds.): Histoire de la littérature belge francophone 1830-2000. Fayard, Paris, 2003, pp. 401-410).
Een parodie is deze zo goed als onvindbaar geworden roman (zoals die van Matthijs overigens) van Peyel alleszins niet, maar of het een nationaal-socialistische roman is?
Het boek is een raamvertelling: twee Belgische krijgsgevangenen keren naar België terug, en in de trein vertelt de ene aan de andere zijn wederwaardigheden in het gehucht van Hohenmoor, waar hij op een hoeve tewerkgesteld werd gedurende de hele periode (een dik jaar) van zijn krijgsgevangenschap. Zijn verhaal is het verhaal van een dubbele metamorfose: een lichamelijke en een geestelijke, beide symbiotisch met elkaar verbonden uiteraard.
De eerste metamorfose heeft te maken met de arbeid op de hoeve. De hoofdpersoon Daniel Verrongen is eerder het intellectuele type, dat niet gewoon is lichamelijke arbeid te verrichten, en zeker niet de zware arbeid in de toenmalige landbouw. Toch lukt het hem wonderwel, en uit de ietwat spichtige jongeman wordt een blonde, gespierde, gebronsde kerel, zoals we hen van plaatjes uit die tijd uit dat land goed kennen: de blik naar een stralende toekomst gericht, vlag of werktuig in de hand enz. Toch wordt de arbeid nooit theoretisch geprezen; het is de hoofdpersoon zelf die vertelt hoe die op hem van invloed is geweest, hoe hij zich verwant is gaan voelen met de aarde, de bodem, hoe zijn bloed daardoor krachtiger is gaan stromen in zijn lijf.
Parallel daarmee loopt een geestelijke ontwikkeling, van links naar rechts kun je samenvatten. In de proloog wordt de hoofdpersoon nog als volgt gekenschetst:
” Verrongen s’était nourri, au cours d’une jeunesse très libre, des Karl Marx, Engel (sic), Malraux et autres Bernanos. Il avait failli rejoindre ceux qui, en Espagne, clamèrent le ‘No passeran’ (sic) aux troupes victorieuses de Franco. Le jacobinisme maçonnique l’avait séduit”
Interessant is vooral dat na deze proloog amper nog directe politieke uitspraken voorkomen in het boek; alleen de Werdegang van Verrongen wordt geschetst, door hemzelf, in de ik-persoon dus, aan zijn in de trein teruggevonden lotgenoot. Deze wordt zodoende een beetje de lezer zelf; de stijl van Peyel is immers zeer direct en eenvoudig vertellend: Verrongen spreekt tot zijn vriend in een taal die net geen spreektaal is, maar die de lezer in elk geval aandoet alsof hijzelf rechtstreeks toegesproken wordt. Waardoor er vereenzelviging optreedt tussen spreker en lezer. Een ingenieus systeem van beïnvloeding. Dat nog subtieler wordt wanneer je bedenkt dat de hoofdpersoon helemaal niet metamorfoseert tot een nationaal-socialist, maar enkel tot iemand die begrip leert te hebben voor de nationaal-socialisten en via brieven met zijn moeder in Brussel, voor het gedisciplineerde gedrag van de Duitse soldateska in België. Meer niet, maar ook niet minder uiteraard.
Het verblijf op de hoeve in Hohenmoor wordt ook anderzins positief voorgesteld. Verrongen komt eigenlijk in een nieuwe familie terecht, een echte familie zelfs, vergeleken met zijn oorspronkelijk milieu. Alle Duitsers die hij daar ontmoet worden vriendelijk voorgesteld, en hij wordt zelfs verliefd op de bazin van de hoeve. Maar daar kan niks uit voortkomen uiteraard. Temeer daar hij verlangt naar zijn eigen land, en blij is als hij terug mag keren.
Je zou de thematiek van de roman dus kunnen samenvatten in drie woorden: Travail, Famille, Patrie. De volgorde van dit officiële motto van het Vichy- of Pétainregime in Frankrijk komt grotendeels overeen met de volgorde en het belang ervan in de roman van Peyel. Het eerst wordt Verrongen geconfronteerd met de zware arbeid, maar als tegengewicht vindt hij een familiale sfeer, waarin het vaderland een grote rol speelt, waardoor hij nog meer naar zijn eigen vaderland terug gaat verlangen.
Is dit nu een nationaal-socialistische roman? Ja en nee, zou ik zeggen. Ja, vooral door de uiterlijke context (geschreven, gepubliceerd en bekroond tijdens de Duitse bezetting in Belgie; bekroond door een duidelijk collaborerend dagblad) en door de intrinsieke context (de krijgsgevangenschap in nationaal-socialistisch Duitsland). Maar doordat het boek op geen enkele manier propaganda voert voor die leer, ben ik toch eerder geneigd ‘nee’ te antwoorden, en het op een andere, een veel algemenere manier te bekijken.
Als we ervan uitgaan dat ‘fascisme’ een algemene term is, en ‘nationaal-socialisme’ enkel een specifieke, overigens de ergste en misdadigste vorm van fascisme, dan is er niks op tegen deze roman inderdaad als een typisch voorbeeld van een fascistische roman te beschouwen. Ideologisch past het daar volkomen in, omdat de Blut-und-Boden-ideologie eigenlijk het hele boek schraagt. Dat feit plus de concrete context zorgen daarvoor.
Waarbij men in het oog moet houden dat de term ‘Blut und Boden’ niet noodzakelijk negatief hoeft te zijn. De term is afkomstig van Spengler, maar werd berucht via Hitlers minister van landbouw Walter Darré, die er een echte slogan van maakte. Sindsdien is het een scheldwoord geworden. Nochtans: Houtekiet van Walschap, of De Vlaschaard van Streuvels zijn meesterwerken, en toch volledig doordrenkt van een bloed-en-bodem-mentaliteit. Zoals bv. ook een groot deel van het poëtische werk van Emile Verhaeren, zeker als die het hele Vlaanderen bezingt. Op zich is daar dus niks mis mee, het is pas in combinatie met rechtse politieke elementen dat die literatuur bedenkelijk kan worden.
Verbondenheid met de streek waar je vandaan komt, en met de mensen waartussen je opgroeit, dat is de kern van die slogan. In de kunsten wijst hij vooral op een pre-moderne mentaliteit, nog sterk verbonden met landbouw, kleine dorpsgemeenschappen, landschappen enz. De periode voor de industrialisatie kortom. Vele Duitse auteurs die als nationaal-socialistisch gelden, waren eigenlijk niet meer dan zulke ‘Heimat’dichters – maar die zich wel al te gemakkelijk encanailleerden met het regime, juist omdat dit beweerde terug te keren naar een dergelijke pre-moderne maatschappij.
Pierre Peyel past eigenlijk volkomen in dat plaatje, Marcel Matthijs echter niet, dat was eerder een stadsmens, ook in zijn boeken. Het zijn de ‘campagnes hallucinées’ versus de ‘villes tentaculaires’ om het met Verhaeren te zeggen.
Marcel Matthijs’ Menschen in den strijd was een mislukking; Pierre Peyels Hohenmoor is, door de systematische toepassing van een realistische poëtica, geen meesterwerk, maar wel nog steeds een vlot leesbare roman.
27 Oktober 2009
Geen Commentaar
Printen
Mak en Dagerman
Gisteren eerder toevallig naar de ‘mercredis de l’histoire’ op Arte gekeken. Men gaf een documentaire naar een reisverslag van Stig Dagerman, die in de herfst van 1946 een vijftal Duitse steden bezocht.
Het moet de eerste keer zijn dat ik de toestand van de Duitse bevolking vlak na de oorlog zo duidelijk, zo indringend, en zo langdurig gezien heb (meer dan een uur). Dergelijke beelden heb ik ook wel gezien in andere documentaires, maar dan steeds met mondjesmaat. De commentaar bij de authentieke beelden was grotendeels van Dagerman; hij was sober, to the point, maar toch vol van een ingehouden mededogen en van begrip voor deze gewone mensen. Soms werd die commentaar van Dagerman afgewisseld met commentaarstemmen uit de newsreels van die tijd (Frans en Engels), waarin werd toegegeven dat er honger heerste, dat het armzalig gesteld was met het Duitse volk, maar dat het hun eigen schuld was. Dagerman zelf sprak zich niet expliciet in die zin uit, als het daarover ging was zijn commentaar afgewogener, met veel grijs en weinig zwart/wit.
Propaganda voor iets of tegen iets was al helemaal afwezig in de commentaar van de Zweedse schrijver. Als je dat dan vergelijkt met de propagandafilms van Mak… Dag tegen nacht gewoonweg. Dagerman beperkt zich grotendeels tot de feiten, hetgeen hem overigens niet belet een standpunt in te nemen. Als hij het over de ‘Spruchkammern’ heeft bv. die geacht werden de denazificatie door te voeren, maar zich zelfs in het begin enkel tot de allerkleinste vissen beperkten. En vanaf 1947, als de koude oorlog door de Amerikanen werd begonnen, was die denazificatie helemaal van de baan. Daar eindigde de documentaire trouwens mee.
Sommige beelden waren hallucinant, en deden mij onmiddellijk en volledig denken aan de Borinage-film van Joris Ivens. Dezelfde toestanden, dezelfde afgrijselijke armoede.
Door geen standpunt in te nemen, grotendeels beschrijvend te blijven, verplicht Dagerman (of de cineast die zich op zijn werk baseerde, want Dagerman zelf is al lang dood) de kijker zelf na te denken over wat hij ziet en hoort. Waarbij vooral het contrast betreffende de schuldtoewijzing belangrijk is. Was het Duitse volk collectief schuldig, zoals nazionisten als Goldhagen beweren? Uiteindelijk hangt het natuurlijk altijd af van de (steeds arbitraire) criteria die je aanlegt. Maar ik denk dat collectieve schuld, zo ze al ooit aangenomen zou kunnen worden, de totaal en absoluut absolute uitzondering moet blijven. Het Duitse volk was eerder het eerste slachtoffer van het nazisme dan iets anders.
Overigens werd de reportage die aan de basis lag van deze documentaire, (Stig Dagerman: Deutscher Herbst, Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, meerdere herdrukken) ook in het Nederlands vertaald en uitgegeven door Meulenhoff, weeral enkele decennia geleden.
Er heeft zich inmiddels nog niemand gemeld om de dozen met de stompzinnige oppervlakkigheid van Mak af te halen. Het aanbod blijft geldig. Deze veel betere documentaire is eveneens op DVD te krijgen, bij de Arte-shop. Maar die zou ik nooit wegdoen.
22 Oktober 2009
Geen Commentaar
Printen
Toussaint van Boelaere
Fernand Victor Toussaint van Boelaere moet ik in de eerste helft van de jaren tachtig, een kwarteeuw geleden dus gelezen hebben, althans wanneer ik afga op de data van aankoop die tussen 1981 en 1984 liggen. Dat is beduidend laat voor mijn doen. Of ik voordien al iets van hem gelezen had, weet ik niet meer. Maar zijn naam zal ik hier of daar wel gezien hebben.
Het zegt toch wel een beetje over de ‘bekendheid’ van deze auteur. Die een van de vele vergetenen is uit de Nederlandse letteren. Waarschijnlijk is er sinds zijn dood niets meer van hem verschenen (ik heb het niet nagezien), en ook over hem is amper iets geschreven. Een uitzondering is een mooi verhaal van Jeroen Brouwers, De Verliefden, dat in 1998 verscheen als ‘ vriendelijke hommage aan Fernand Victor Toussaint van Boelaere’, zoals het in het colofon heet. Maar dit verhaal is natuurlijk een eigen werk van Brouwers, en Toussaint is enkel aanleiding ertoe en requisiet erin.
Overigens werd er direct na zijn dood gedacht aan de uitgave van een ‘verzameld werk’, maar zoals in andere gevallen is ook dit er nooit gekomen. Ondanks de in dit geval inderdaad zeer eigen, specifieke en belangrijke rol die Toussaint toekomt in de geschiedenis van de Nederlandse letteren in het Zuiden. Ik zou hier eigenlijk niet meer hoeven te herhalen dat zijn werk uitmunt door stilistische fijnheid, vormlust, epicuristische inhouden en een zorgvuldigheid in de afwerking die je zelden tegenkomt. M.a.w.: Toussaint van Boelaere was een maniërist, en in de ogen van de Vlaamse gezapigheid en de Nederlandse droogheid is dat een doodzonde.
De Leuvense onderzoekers Elke Brems en Tom Sintobin hebben aan die onbekendheid en vergetelheid iets willen doen (remediëren?) door een studiedag aan hem te wijden in 2006, waarvan de bijdragen werden verzameld in een boek, samen met een geannoteerde en becommentarieerde uitgave van een typische tekst van van Boelare: Elke Brems en Tom Sintobin: De goudsmid en de klein-inquisiteur, essays over F.V. Toussaint van Boelaere, gevolgd door een geannoteerde uitgave van Het gesprek in Tractoria. (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Gent, 2008).
Het boek bevat acht opstellen, die in vier rubrieken zijn onderverdeeld, die er mijns inziens maar twee zijn: literaire benaderingen en politiek-institutionele benaderingen.
De eerste reeks behandelt zowel zijn plaats in de literatuurgeschiedenis, als meer specifieke detailaspecten. Bij dat laatste denk ik dan vooral aan de interessante bijdrage van Hans Vandevoorde, die het spiritisme van de naturalist Gustaaf Vermeersch stelt tegenover een tekst daarover van Toussaint. Brems en Sintobin hebben het over de normen en waarden die je uit de teksten van Toussaint kunt afleiden, vooral over het verwijt van amoralisme dat hem nogal eens gemaakt werd. Zij tonen aan dat dit niet helemaal klopt. Hun tekst sluit overigens nauw aan bij die van Pieter Verstraeten die de poëtica van Toussaint onderzoekt. Een bepaalde poëtica sluit immers vaak ook bepaalde normen in, het weze expliciet of impliciet. Misschien had dat aspect beter uit de verf kunnen komen.
Toussaint was ook zijn leven lang een netwerkman; dat betekent vooreerst dat hij betrokken was bij tijdschriften, literaire instituties, prijzen, vieringen enz. Onder de hoofding ‘Toussaint institutioneel’ wordt dat aspect aan de hand van concrete voorbeelden in de verf gezet.
Een direct uitvloeisel daarvan was Toussaints rol vlak na de oorlog. Met name in de Vlaamse Academie die het hier besproken boek uitgaf, maar ook elders speelde Toussaint een beetje de inquisiteur, die de schrijvers beoordeelde volgens hun gedrag in de oorlog tegenover de bezetter. Met name één geval, de verhouding tot Ernest Claes, wordt gedetailleerder uitgewerkt. Of en in hoeverre Toussaint gelijk had, daarop wil ik hier niet ingaan, dat doen trouwens ook de bijdragers aan deze reader amper. Wel is het duidelijk dat hij ‘grote’ schrijvers (Streuvels, Walschap bv.) in bescherming nam, ook al waren die vaak even aangebrand als ‘kleinere’ schrijvers. Maar een echte zuiveraar kun je hem eigenlijk ook amper noemen, zo is mijn indruk na lectuur van deze bijdragen. Maar feit is: deze periode van onze literatuur, net zoals de collaboratie zelf van schrijvers trouwens, is nog te weinig onderzocht.
Het tweede deel van het boek bevat dus enerzijds de tekst van Het gesprek in Tractoria volgens de eerste druk van 1923, met alle linosneden van Henri van Straten, en met een uitgebreide verklarende voetnotenlijst, zoals dat hoort in een wetenschappelijke uitgave. En anderzijds laten de samenstellers de tekst van het verhaal nog volgen door enkele verklarende teksten van henzelf, die de ontstaansgeschiedenis en de receptie van het verhaal behandelen, en het in de context van zijn tijd en van het werk van Toussaint plaatsen. Deze begeleidende teksten zijn niet enkel goed geschreven, maar helpen zeker de niet voorbereide lezer een heel stuk op weg om de tekst van Toussaint, en de hele figuur trouwens, te kunnen situeren. En misschien te stimuleren om verder te lezen.
Mijn eigen exemplaar van de eerste druk van Het gesprek in Tractoria bevat op de eerste pagina een mooie opdracht van Toussaint van Boelaere, die ik de mogelijke lezers van dit stuk niet wil onthouden. Wat er die avond verder nog gebeurd is, moeten ze er maar zelf bijfantaseren.

14 Oktober 2009
Geen Commentaar
Printen
Mak is kak
De verschillende afleveringen op televisie van Geert Maks In Europa hebben we (dit is geen pluralis majestatis) bij uitzending niet gezien. Maar nadien hebben we wel de DVD’s gekocht, de twee reeksen.
Tot onze grote spijt.
Zelden zo’n oppervlakkigheid gezien als dit; nu weet ik wel dat je van teevee niet veel moet verwachten, en zeker niet meer het niveau dat soms toch nog gehaald werd vóór de commercie daar toesloeg, maar toch, dit slaat alles. Misschien niet zozeer op zich, maar omdat het werd aangekondigd met vele trommels en trompetten als iets zeer waardevols en degelijks.
Nou moe!
Er wordt amper achtergrondinformatie gegeven, er wordt nooit in de diepte gegraven, de hele serie door (althans de eerste, die ik grotendeels bekeken heb, de tweede doe ik niet meer open) worden beeldjes getoond met commentaar die we al duizend keer gehoord hebben, en die enkel beschrijvend is. De economische en sociologische achtergronden van de geschiedenis? Nooit van gehoord.
Laat me twee voorbeelden geven van wat me zo ergert.
Tijdens de Spaanse burgeroorlog vielen langs beide zijden slachtoffers. Dat is de enige boodschap van de aan die burgeroorlog gewijde aflevering. Daartoe wordt als rechts slachtoffer een jonge priester opgevoerd, geïndividualiseerd op alle manieren, zodat de kijker zich daar goed mee kan vereenzelvigen. Langs linkse kant vooral anonieme slachtoffers, zodat de kijker zich daar veel minder mee kan vereenzelvigen. Maar de manier waarop die priester wordt voorgesteld doet zozeer denken aan christelijke anti-kommunistische propaganda uit de jaren vijftig en daarvoor, dat het gewoon om van te kotsen wordt.
En ik vraag geen propaganda van de andere kant.
Nemen we de afleveringen over Duitsland en de Sovjet-Unie bv. Ik weet allang dat de regimes van Stalin en Hitler door een meerderheid over één kam worden geschoren. Ik erger me daaraan niet eens meer. Het is nu eenmaal zo, ook al is het helemaal niet zo.
Maar Mak gaat nog een stapje verder. Hij bestaat het godverdomme om van de Sovjet-Unie te stellen, in goede propagandastijl uit de koude oorlog, dat alles er slecht was, dat iedereen angst had voor iedereen enzoverder enzovoort. Het sprookje van altijd. Maar wat zegt hij over Nazi-Duitsland? Als je geen jood was, dan was dat, zeker voor de oorlog, daar helemaal niet zo erg om te leven, integendeel zelfs. De regering zorgde goed voor zijn burgers en voor de economie.
Socialisten, getuigen van Jehova, homo’s en lesbiennes, communisten, vrijmetselaars??? In de ogen van Mak waarschijnlijk allemaal stinkend en kruipend ongedierte waar alleen een goed concentratiekamp en af en toe een goeie spuitbus met Zyklon-B tegen hielp. Uitroeien, dat nest.
Dat Mak conservatief was, wist ik al sinds zijn boek over Jorwerd, en daar is overigens niks mis mee. Dat was geen slecht boek. Maar deze reeks is wat mij betreft gewoon walgelijk, dit heeft met enig fatsoenlijk conservatisme niks meer te maken, dit is propaganda post factum, en wel van de stinkendste soort, enkel te vergelijken met sommige nazifilms.
De twee dozen nemen veel ruimte in beslag. Ze zijn volledig en in goede staat. Als iemand daarbuiten erin geïnteresseerd is, laat het me weten. Ze mogen worden afgehaald. Of ik breng ze, als het niet te ver is. Gratis en voor niks.
14 Oktober 2009
Geen Commentaar
Printen
Islam op zolder
Gisteren een veertigtal boeken over de islam naar de bibliotheek gebracht. De zolder moest geruimd worden, vandaar. Het viel me op dat de meesten dateerden uit het begin van de jaren negentig. Er waren uiteraard de gemeenteraadsverkiezingen van 9 oktober 1988 (zwarte zondag). Er was de kennismaking met Egyptische schrijver Naguib Mahfouz, die in datzelfde jaar de Nobelprijs literatuur ontving… Ik herinner me bovendien nog dat mijn vrouw en ik in oktober 1989 een lang artikel gepubliceerd hebben over The satanic verses. Het was een literair artikel, want over de islam wisten we maar heel weinig toen.
Allemaal redenen dat vanaf die periode zoveel boeken over de islam gekocht en ook gelezen werden, zoals uit de potloodaantekeningen bleek.
En wat hoorde ik deze avonds op het nieuws? Dat in Antwerpen een universitaire opleiding voor islamleraars startte, en dat die uniek was in België. Kunnen die boeken misschien inderdaad nog verder dienen, want het merendeel ervan was in geen Antwerpse bibliotheek aanwezig.
Opvallend is ook hoe weinig er van die toch intense lectuur is blijven hangen. De grote lijnen van die godsdienst ken ik nu wel, maar zou dat zonder die vele boeken ook niet gebeurd zijn? De islam is immers alom tegenwoordig vandaag, en overal hoor en lees je er wel wat over. Wat me wel bijblijft, wat wellicht de sterkste indruk heeft nagelaten, is de impressie van echte totale onverzoenlijkheid tussen de islam en de basisbeginselen van de westerse landen. Want in het geval van Rushdie heb ik, dat herinner ik me nog, na het schrijven van ons artikel weliswaar, ook de andere klok willen horen, en dus ook boeken en persbijdragen over Rushdie vanuit moslimhoek gelezen. Dat is een van de weinige boeken trouwens die ik niet heb weggedaan.
Zoals het boek van Hans Küng, en zoals het boek van Filip Dewinter. Dit laatste heb ik op aanstoken van Benno Bernard toch gelezen. Ik was van plan er een lang stuk over te schrijven, maar dat heeft geen enkele zin, want dat boek is op de eerste en belangrijkste plaats een politiek pamflet en geen cultuurhistorisch essay. Daarvoor weegt het te licht, bevat het te veel historische fouten en weglatingen.
Misschien zal ik op een andere manier op dat alles ingaan binnenkort. Benno Barnard is immers groot, en Filip Dewinter is zijn profeet.
8 Oktober 2009
Geen Commentaar
Printen
Eduard von Keyserling
Bijvoorbeeld.
Tijdens de afgelopen vakantie heb ik niet zo veel gelezen – meestal waren we per fiets onderweg van het ene slot naar het andere, van de ene kerk naar de andere, van het ene klooster naar het andere, en tenslotte van het ene stadje naar het andere. Veel tijd bleef er ‘ s namiddags of ’s avonds niet over, ook gelet op de vermoeidheid na de tocht van de dag.
Maar éen van de gelezen schrijvers was Eduard von Keyserling. Ik kende die wel van óver hem gelezen te hebben, maar voor zover ik me herinner had ik nog niets van hem gelezen – tenzij misschien in mijn studententijd een verhaal in een anthologie. Maar daar is me dan niets van bijgebleven. Geen boeken in elk geval.
Nu heb ik twee verhalenbundels gelezen, beide verschenen in de prachtige reeks boekjes uit de ‘Manesse Bibliothek der Weltliteratur’: Schwüle Tage en Im stillen Winkel ( Manesse Verlag, Zürich, 2005 en 2006). Er zijn mensen die die boekjes verzamelen. Ik kan dat goed begrijpen, want het is een van de mooiste reeksen uit het Duitse taalgebied (uit heel Europa zelfs, denk ik).
Von Keyserling is wat mij betreft een sublieme ontdekking. Niet zozeer wegens de inhoud; het gaat telkens over de gewone zaken des levens: liefde en dood, kinderen, oorlog. Helemaal niets speciaals. Maar de verfijnde, werkelijk aristokratische stijl van von Keyserling maakt er iets speciaals van. Het is net alsof hij met verschillende tinten van telkens meer of minder gedempt licht schrijft. Hij spreekt ook zelden de zaken direct uit, maar suggereert, door middel van het juiste gebruik van adjectieven (die niet altijd uit den boze zijn – zoals sommigen wel beweren), door de verschijnselen in de natuur of door gewoon dingen op een bijzondere manier te laten spreken, in de plaats van de mensen zelf. Over het geheel hangt een atmosfeer van melancholie, van afscheid nemen.
De vertelwijze is erg langzaam, von Keyserling behoort tenslotte nog tot de lange 19de eeuw, hij stierf in 1918. De zinnen hebben een normale lengte, maar de woordenschat is zonder gezocht te zijn van een geraffineerde schoonheid, en soms een beetje gewild archaïsch (ofwel komt dat nu, goed honderd jaar later zo over). Je moet proeven van dit proza, het is geen lectuur zoals die heden ten dage geproduceerd wordt aan de lopende schreeuwende band. Het is literatuur, echte, goede. Een fles Bowmore Islay Single Malt van 16 jaren oud, de limited edition van 1989, drink je ook niet in één keer leeg; het is een drank om van te genieten, geen Mass vol pis.
Ik heb me ook de andere boeken van von Keyserling die nog verkrijgbaar zijn aangeschaft. Het zijn er niet zo veel. In zijn eerste periode schreef hij nog naturalistische romans, maar na de eeuwwisseling dus enkel nog de verhalen en novellen waarmee hij bekend gebleven is. Meestal zijn ze kort, ook als ze ‘roman’ genoemd worden.
Von Keyserling was afkomstig uit een adellijk geslacht uit Kurland – een streek die je nu tevergeefs op de kaart gaat zoeken. Het was een deel van wat nu Letland heet, de gewone bevolking sprak er Lets, de hogere klassen, voornamelijk grootgrondbezitters, adel dus, sinds de middeleeuwen Duits. De landelijke verhoudingen van toen zijn in zijn novellen gemakkelijk terug te vinden. Maar totaal gesublimeerd uiteraard, tot pareltjes van prozakunst, die ik aan iedereen aan kan raden.
Dit is literatuur die ervoor zorgt dat je toch nog wel even in leven wil blijven.
22 September 2009
Geen Commentaar
Printen
Vuiligheidsdiensten
Het was weer enkele jaren geleden dat we nog eens in München waren. Meestal komen we daar op doorreis, bij het begin van een vakantie voor een of twee dagen, en op het einde van een vakantie voor een of twee dagen. Daarbij logeerden we meestal in hetzelfde hotel, dicht bij het station enerzijds, en vlak bij de ingang van de Wies’n, waar op dit ogenblik de jaarlijkse bierfeesten weer plaatshebben, anderzijds.
Zeker wanneer we het hoekje omlopen om even verder in een plaatselijk restaurant waar totaal geen toeristen komen te gaan eten, passeren we vlak aan de ingang van de plaats waar dat jaarlijkse feestgebeuren plaatsgrijpt. Telkens moet ik dan heel even denken aan de 26ste september 1980, toen daar de ergste bom uit het naoorlogse Duitsland ontplofte, en tientallen doden en gewonden maakte. De aanslag werd nooit opgeëist, maar dat de RAF er niks mee te maken had, zoals de halve (of hele?) nazi Frans-Joseph Strauss onmiddellijk beweerde – er waren verkiezingen in aantocht en dan kunnen enkele uiteengerukte lijken wel van dienst zijn – , dat wist zelfs elke blinde en dove onmiddellijk. Dit was van een heel ander kaliber.
De aanslag werd toegeschreven aan de zgn. Wehrsportgruppe Hoffmann, genaamd naar de oprichter en leider Karl Heinz Hoffmann (de Duitse Bert Eriksson zou je kunnen zeggen, en zijn groep de Duitse VMO – er waren trouwens contacten tussen beide), maar die is altijd elke betrokkenheid blijven loochenen.
Een tijdje geleden al las ik de roman van Hoffmann: Verrat und Treue, ein an Tatsachen orientierter Roman (Themis Verlag, Neunkirchen, s.d.), en ook daaraan moet ik telkens weer even denken als ik daar langs kom.
Het is het soort boek dat niemand voor zijn plezier leest. Zelfs als een goeie redacteur er vier vijfde uit zou schrappen, blijft er nog steeds niks over dat de moeite waard is. Dan liever drie kanjers van Jan Struelens over Mulisch, daar heb je toch nog het genot van de ergernis van. Maar een voordeel is wel dat je door de oeverloze herhalingen van steeds hetzelfde zo snel leest, dat je de kanjer van bijna 800 bladzijden sneller uit hebt dan een stationsromannetje van 50 bladzijden. Het boek zou enkel gebruikt kunnen worden in een universitair seminarie om in de praktijk aan de studenten te tonen hoe je geen romans schrijft: herhalingen moeten noodzakelijk zijn, als je een spreekwoord gebruikt is het onnodig nog eens een hele paragraaf te gebruiken om de betekenis ervan uit te leggen, enz. Om over het zelfingenomen zelfbeeld van de auteur (die we in dit geval zonder probleem mogen vereenzelvigen met de hoofdpersoon) maar te zwijgen.
Om te zien of een romanschrijver echt iets kan, moet je naar de liefdesscènes kijken, die vormen als het ware een meesterproef. Als je dat tot een goed einde brengt, zonder clichés en zonder op een leerboek anatomie te lijken, dan ben je meestal alleszins wel een goed stilist. Dergelijke scènes zijn voor een prozaïst het moeilijkst tot een overtuigend einde te brengen. In Hoffmanns boek komt één enkele liefdesscène voor (pp. 464-465), en ze is om van plaatsvervangende schaamte ergens in een hoekje weg te kruipen. Deze clichés zijn in een kioskromannetje op z’n plaats, en geven zodoende het literaire niveau aan waarop Hoffmann staat: ’siebten Himmel der Seligkeit’, ‘makellosen weissen Körper’, ‘den in kupfernem Rot schimmernden Flaum ihres Venushügels’, ‘im Fleisch der Muschel verborgenen köstlichen Perle der Lust’, ‘mit einem wilden Stoss dringt Brandt in sie ein und lässt dann ein wahres Stakkato nicht weniger heftiger Stösse folgen. Unter ihm bäumt sich der geschmeidige Mädchenkörper auf und gibt ebenso kräftig Antwort auf jede Bewegung’. Nee, geef mij dan maar echte pornografie, daar krijg ik tenminste een erectie van.
Maar als je zo’n boek leest, doe je dat uiteraard niet om literaire redenen. In dit geval om politieke redenen, omdat Hoffmann in dit boek zijn visie geeft op de aanslag van 1980 op het Oktoberfest. Niet dat die visie juist zou zijn, laat staan de waarheid zou bevatten, maar omdat het interessant is er kennis van te nemen.
Het eerste wat opvalt: Hoffmann kent wel wat van geheime diensten en hoe ze te werk gaan. Deze stukken van zijn roman zijn uiteraard speculatief, maar waarschijnlijk is het wel zo gegaan. Er wordt een profiel opgesteld van een dader, er wordt vastgelegd wie voor de aanslag verantwoordelijk moet worden gemaakt, en dan wordt via de databanken een persoon gezocht die aan alle voorwaarden voldoet. In dit geval was dat ene Gundolf Köhler, die inderdaad van heel verre met de Wehrsportgruppe Hoffmann vandoen had gehad. De man werd zelf ook opgeblazen, hetgeen waarschijnlijk ook de bedoeling van de opdrachtgevers was, die de bom wel van op afstand hebben doen ontploffen (zonder dat Köhler dat wist uiteraard).
Dat scenario is totaal waarschijnlijk. Wat niet meer waarschijnlijk is, is het feit dat Hoffmann dit scenario in de schoenen schuift van de joden, zeg maar de Mossad. Ik ben geen vriend van die dienst, die in mijn ogen de misdadigste, crapuleuste, smerigste, nietsontziendste van alle vuiligheidsdiensten ter wereld is, en die in staat is om over honderden, duizenden, als het moet honderdduizenden lijken te gaan als het in hun kraam past. Maar zij hadden op dat ogenblik geen enkel voordeel bij zo’n aanslag in Duitsland, en dat is wat telt. Dat het een kwestie van wraak zou zijn voor de judeocide van de nazis lijkt me zever. In zijn misdadigheid is de Mossad te rationeel om vanuit dat soort gevoelens te vertrekken. En het is niet omdat ze een gelijkaardige racistische ideologie aanhangen als de nazi’s, dat ze blindelings aanslagen gaan plegen. Zo werkt dat niet.
Veel interessanter als bron om iets van die aanslag te begrijpen is een wetenschappelijk aandoend, alhoewel toch journalistiek onderzoek van Tobias von Heymann: Die Oktoberfestbombe. München 26. September 1980 (NORA Verlagsgemeinschaft, Berlin, 2008). Minutieus worden in dit boek alle aspecten en alle bronnen onderzocht, zoals die op het ogenblik voorliggen en raadpleegbaar zijn, daaronder ook de dossiers ter zake van het MfS. Vele documenten worden trouwens afgedrukt in het boek, zodat de lezer er rechtstreeks kennis van kan nemen. Het boek is van een grondigheid die het woord ‘onderzoeksjournalistiek’ volledig recht geeft, en zoals hier te lande nooit geschreven werd bij mijn weten, zelfs niet door wijlen Walter De Bock. Nochtans trekt de man amper conclusies uit de massa’s feiten die hij aanhaalt en analyseert. Enkel eigenlijk dat Gundolf Köhler met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet alleen gehandeld heeft, maar dader en slachtoffer tegelijk was.
Opvallend in het boek is het feit dat een hoofdstuk van honderd bladzijden gewijd is aan de zgn. stay-behind-groepen van de NATO in Duitsland, méér dan één hoofdstuk en honderd bladzijden zelfs, want ook het daarop volgende hoofdstuk handelt daarover. Nergens zegt de auteur expliciet dat die groepen iets met de aanslag te maken hebben. Hij zegt het niet eens impliciet. Maar als je tussen de regels kunt lezen, en zelf de feiten met elkaar in verband kunt brengen, dan ligt eigenlijk maar één conclusie voor de hand. Tegenstanders zullen zeggen: hij beroept zich quasi uitsluitend op dossiers van het MfS. Daarbij vergetend dat het MfS die dossiers niet aanlegde om ze in 1990 te laten overnemen door de vijand. Al even opvallend is dat de Duitse vuiligheidsdienst die voor die stay-behind-groepen verantwoordelijk was, de BND (Bundesnachrichtendienst) is. Dat is niet alleen een nazidienst, het is ook een Amerikaanse nazidienst, en dus een nauw aan de NATO gelieerde nazidienst. Waarom zeg ik dit: in de geheime dienst van de Wehrmacht bestond er tot 1945 een afdeling ‘Fremde Heere Ost’, geleid door de hoge SS-officier Reinhard Gehlen. Die werd in 1945 met heel zijn dienst gewoon overgenomen door de Amerikanen, en werkte gewoon verder onder hun leiding tot in 1956, toen de ‘Organisation Gehlen’ werd omgevormd tot de BND, in schijn zelfstandig, maar nog heel lang nauw samenwerkend met de Amerikanen(en de Mossad natuurlijk!), tot op de dag van vandaag eigenlijk. Vandaar: nazidienst.
Dat brengt mij tot een verder boek in deze reeks: het doctoraat in de politieke wetenschappen van Dr. Daniele Ganser, afgelegd in Zwitserland, en dat in Engeland verscheen onder de titel Nato’s secret armies. Operation Gladio and Terrorism in Western Europe. (Frank Cass, London and New York, 2005). Dit boek beschrijft quasi de hele geschiedenis van Gladio, in heel West-Europa, en gaat vooral diep in op de verbanden met extreem-rechtse en rechtaf fascistische bewegingen en groepen in de verscheidene landen van de NATO. Eigenlijk is dit gewoon verbijsterende lectuur, zeker voor eenvoudige zielen die (nog) denken dat de NATO zoiets als vrede en democratie verdedigen zou. Opvallend is dat Ganser zo goed als uitsluitend op officiële bronnen steunt bij zijn onderzoek.
Er staat in het boek van Ganser ook een hoofdstuk over België. En daaruit kunnen we vernemen dat de Belgische militaire vuiligheidsdienst SDRA (Service de Renseignements et d’Actions – inmiddels is hij van naam veranderd) verantwoordelijk was voor de planning, organisatie en waarschijnlijk ook grotendeels de uitvoering van de terreur die Belgë in de jaren 80 van de vorige eeuw kende: de 6de afdeling van SDRA (verantwoordelijk voor de Rijkswacht, die toen nog onder defensie ressorteerde) zorgde voor de CCC (Cellules Communistes Combattantes), de 8ste afdeling van SDRA (verantwoordelijk voor de stay-behind-groepen in België – samen met een specifieke afdeling daarvoor bij de gewone Staatsvuiligheid trouwens) voor wat de ‘Bende van Nijvel’ is gaan heten.
Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat er nog steeds een zgn. Cel Jumet bestaat, die zogezegd verder speurt naar de misdaden van die Bende van Nijvel. Het kan niet dat die niet op de hoogte zou zijn van het bovenstaande. Eigenlijk kon eenieder die dat wou het van in de jaren 80 al weten. Hoewel ‘weten’ niet hetzelfde is als ‘bewijzen’ uiteraard. Maar als er maar één onderzoeksrechter geweest was met een beetje moed, dat had men toen al huiszoekingen verricht bij die dienst. Nu is het daarvoor wel te laat. België is erger dan Italie, want daar waren wél moedige onderzoeksrechters, die de band tussen de fascistische aanslagen in Bologna en elders en de militaire en andere vuiligheidsdiensten aldaar hebben kunnen blootleggen en bewijzen. Niet dat het veel heeft opgeleverd natuurlijk; dat soort volk stond en staat nu eenmaal boven elke wet.
Tenslotte wil ik in dit kader nog twee boeken noemen, die al wat ouder tot veel ouder zijn. Daar is op de eerste plaats Im Namen des Staates. Cia, BND und die kriminellen Machenschaften der Geheimdienste (Piper Verlag, München, Zürich, 2000) van Andreas von Bülow. Von Bülow was afgevaardigde in de Bundestag (het Duitse parlement) en zelfs korte tijd minister. Ik hou niet van sociaal-democraten (net zomin als van ‘groenen’ trouwens) maar af en toe kom je er toch eens eentje tegen, die nadenkt en vragen stelt en zelf op onderzoek uittrekt – en dus zijn politieke carrière maar laat vallen, zoals Andreas von Bülow, die in een parlementaire commissie zat die vuiligheidsdiensten onderzocht; maar er bleek alras dat enkel die van het voormalige oostblok onderzocht mochten worden, de andere waren van ‘ons’ en dus ‘zuiver’.
Von Bülow toont in zijn boek haarfijn aan dat dit leugens zijn, bedrog van het hoogste gehalte, en dat alle geheime diensten verwikkeld zijn in zo mogelijk alle criminele zaken die er in de wereld gebeuren. Wanneer je zijn boek uit hebt, kun je maar tot één enkele conclusie komen: geheime diensten zijn vuiligheidsdiensten, zijn misdaadorganisaties. Wil ik daarmee zeggen dat alle vuiligheidsdiensten over één kam geschoren moeten worden? Ja, in de mate dat ze allemaal minstens potentieel crimineel zijn. Nee, omdat er hoe dan ook onderscheid is, en die onderscheiden ook gemaakt moeten worden. Er zijn straatboefjes en er is Al Capone. De Belgische Staatsvuiligheid is de Mossad niet. Maar dat heeft uiteraard eerder te maken met de onbelangrijkheid van België dan met iets anders. Toen Lumumba vermoord moest worden, werd er géén ogenblik geaarzeld. En als dat in de toekomst nog moet gebeuren, zullen ze evenmin aarzelen. Nederland is even onbelangrijk als België, en de AIVD heeft geen ogenblik geaarzeld om Pim Fortuyn koud te laten maken toen dat in hun ogen noodzakelijk werd.
Tenslotte vermeld ik gewoon een laatste boek in de reeks: L’Orchestre Noir van Frédéric Laurent (Stock, Paris, 1978). Dat gaat meer bepaald over Italië, Portugal, Spanje en Frankrijk, en de verwevenheid tussen oude en nieuwe fascisten enerzijds, en vuiligheidsdiensten anderzijds. Het schetst ook de geschiedenis van die verwevenheid sinds 1945, met een sterke nadruk op Frankrijk uiteraard (Indochina, Algerië, OAS). Maar de feiten zijn gelijkaardig, de boodschap dezelfde.
In het bedrukt papier dat krant of weekblad genoemd wordt, lees je daarover niet, daar staat hoogstens propaganda in over hoe goed het allemaal wel niet gaat, en over hoe slecht die moslims wel niet zijn. En op TV houdt men niet op van een scheet in Molenbeek een atoombom te maken – ook al omdat Moslims ermee gemoeid zijn waarschijnlijk. Uit dat soort media haalt 95 % van de bevolking zijn kennis over de wereld, over de feiten en gebeurtenissen die ook voor hen belangrijk (kunnen) zijn. Met andere woorden: heel ons medialandschap is één enkele aanhoudende golf van desinformatie. Anders kun je het niet noemen.
We leven in een gangsterregime, de staten in het Westen worden mede bevolkt door moordenaars en terroristen, en niemand weet het. En als het dan eens uit zou komen, dan gebeurde en gebeurt dat allemaal uit naam van de Democratie, de Vrijheid, de Waarden van de Verlichting, enzoverder enzovoort.
Hoe ver je geraakt na een kort verblijf in München… Het is zo ontmoedigend allemaal, dat ik nu maar snel terugkeer naar aangenamere zaken, naar fraaiere boeken.
21 September 2009
Geen Commentaar
Printen
Harry Mulisch
Harry Mulisch behoort niet tot mijn voorkeurauteurs. Dat heeft niks met zijn werk of zijn persoon te maken, maar is gewoon toevallig zo gegroeid. Je kunt nu eenmaal niet alle schrijvers volgen of bestuderen. En dat belet overigens niet dat ik het overgrote deel van zijn boeken wel gelezen heb, en dat sommige daarvan een onuitwisbare indruk hebben gemaakt. Het betekent misschien vooral ook dat ik de secundaire literatuur over Mulisch nooit echt gevolgd heb (zoals ik dat bv. wel gedaan heb voor Hermans en Claus).
Maar nu heb ik dus wel twee boeken over Mulisch gelezen.
Het eerste is van de hand van Michel Dupuis, en draagt de ietwat vreemde titel: Halfdoden en de hemel. Experimenteel zelfonderzoek en surrealiteitsverlangen bij de jonge Harry Mulisch ( Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Gent, 2007). Wanneer je ervan uitgaat dat literatuurwetenschap inderdaad een vorm van wetenschap is, dan heb je hier een voorbeeld van een rustig, zakelijk, voorzichtig, maar toch indringend onderzoek naar enkele aspecten van het werk van de jonge Mulisch. Dupuis maakt het zichzelf daarbij niet gemakkelijk, want psychologische literatuurbeschouwingen kunnen valkuilen zijn waar je invalt voor je goed en wel vertrokken bent. Maar het uitgangspunt, nl. dat die jonge Mulisch vooral ‘zielsproblematiek’ verwoordt, lijkt me zonder meer juist. Ik hoef me maar Archibald Strohalm te binnen te roepen. Maar Dupuis toont aan, dat dit ook voor andere vroege werken geldt.
Bij zijn analyses houdt Dupuis zich minutieus aan de tekst zelf van de verhalen en de roman die hij bespreekt, en hij vermijdt zorgvuldig Hineininterpretierungen. Zelfs verwijzingen naar Freud vind je slechts sporadisch, misschien omdat de lezer geacht wordt met de basisprincipes daarvan al vertrouwd te zijn. Mulisch zelf heeft gewaarschuwd voor en zich verzet tegen psychologische interpretaties van zijn werk. Hij zal wel weten waarom natuurlijk. Maar in Dupuis heeft hij wel een goeie psycholoog gevonden, een die enkel gebruik maakt van feiten die onomstotelijk vaststaan (omdat Mulisch zelf er in autobiografische teksten melding van heeft gemaakt), en die, ik herhaal het, alle speculaties die niet door de tekst gesteund worden, de kop indrukt.
Daarbij weet hij ook goed een verband te leggen met surrealistische invloeden op datzelfde jeugdwerk. Ofschoon dat aspect meer vragen bij me oproept, maar dat heeft wellicht eerder te maken met het feit dat ik inderdaad niet goed op de hoogte ben van wat het surrealisme allemaal inhoudt.
Michel Dupuis komt uit de school van Jean Weisgerber, en dat is op zich eigenlijk al een garantie voor kwaliteit. De accurate behandeling van Mulisch’ werk gaat hier gepaard met een langzame, beheerste schriftuur. Dat betekent dat je je tijd moet nemen om te lezen, maar ook dat het gelezene sterker bijblijft.
000
Dat is op een totaal andere manier ook het geval met een ander werk over Mulisch: De exegese van het tegenboek. Mulisch’ oeuvre en The Da Vinci Code (AcigolanA, Brussel, 2009) van Jan Struelens. ‘Op een totaal andere manier’: daarmee bedoel ik dat ik zelden zo vaak met mijn hoofd heb geschud als bij de lectuur van dit boek, dat in bijna alles een voorbeeld is van hoe het nou echt niet moet.
De bestseller van Dan Brown verscheen in 2003. De laatste roman van Mulisch, Siegfried, in 2001. De eerste kan Mulisch dus al zeker niet beïnvloed hebben. Maar voor het feit dat Dan Brown op de hoogte geweest zou zijn van het werk van Mulisch, wordt ook geen enkel argument aangehaald. Beider werk heeft dus niks met elkaar te maken.
“Comparer certes, mais sur quelles bases?”, vroeg Weisgerber zich af in een ander verband.
Kun je die twee dan ook niet met elkaar vergelijken? Uiteraard wel, want dat is wat Jan Struelens hier een boek lang doet. Maar laten we wel wezen: je mag en kunt alles met alles vergelijken natuurlijk, maar sommige vergelijkingen zullen eerder gerangschikt moeten worden onder een surrealistische noemer dan iets anders. Bij gebrek aan wederzijdse beïnvloeding kunnen er tussen Brown en Mulisch enkel maar overeenkomsten bestaan. Je kunt die vaststellen, maar daar blijft het dan ook bij.
Struelens gaat duidelijk verder dan die vaststellingen: hij suggereert (durft hij het niet expliciet zeggen?) dat de bestseller van Dan Brown eigenlijk door Mulisch geschreven is. Dat is niet alleen niet waar, het is niet eens goed gevonden (om bij het eerste motto van de auteur boven zijn boek aan te sluiten), want op helemaal niets gebaseerd. De overeenkomsten tussen beide auteurs kunnen hier niet als bewijs gelden, al was het maar wegens de oppervlakkigheid ervan. En wegens het feit dat ze soms met de haren erbij gesleurd worden, om de eenmaal ingenomen stelling toch maar te ondersteunen
Jan Struelens jaagt in dit boek een idée fixe na, zijn boek is eigenlijk een vorm van literaire paranoia: vertrekkend van een valse premisse werk je die minutieus uit tot je een coherent en ogenschijnlijk logisch systeem krijgt. Alleen vergeet je dat die premisse vals is, zoals bij alle Christussen, Napoleons, Hitlers et tutti quanti in alle krankzinnigengestichten ter wereld. Maar kom er maar eens om om dat aan de betrokkenen diets te maken.
Ook vergelijkende literatuurwetenschap kan valkuilen verbergen. Ik herinner me uit mijn jeugd, 1968 of all years, een boek van Jean Weisgerber, Faulkner et Dostojevski. Confluences et influences. (Presses Universitaires de France, Paris/Presses Universitaires de Bruxelles, 1968), waarin deze een meesterlijk voorbeeld gegeven heeft van wat vergelijkende literatuurwetenschap is, kan zijn en moet zijn. Altijd bij de feiten blijven, d.w.z. aan de hand van brieven, dagboeken enz. aantonen dat de schrijvers die je wil vergelijken inderdaad kennis hadden van elkaar en op welke wijze, dan zien hoe de latere de eerdere in zijn scheppend werk al dan niet verwerkt. Enz. Maar steeds gebaseerd op de teksten, en niet op speculaties. Ik kan dit boek van Weisgerber nog steeds aanraden aan iedereen die wil weten wat vergelijken in de literatuur inhoudt.
Het boek van Struelens is het tegendeel daarvan volgens mij; Struelens zal wel ervan uitgaan dat ik absoluut geen voeling heb met zijn uitgangspunt, dat op ‘analogische gevoeligheid’ gebaseerd is. Dat laatste heb ik inderdaad helemaal niet, ik blijf liever met mijn voeten op de grond, of in de tekst in onderhavig geval.
Zonde van zoveel verspild talent.
20 September 2009
6 Reacties
Printen
