Auf Reisen 4
ab ins Land
dass aus Ruinen auferstand
und dann verschwand.
1. Eisenach
Eisenach steht leer:
keine gute Wehr und Waffe mehr.
ach Bach, Du darfst überall
Deine Toccaten unf Fugen spielen
aber siegesgewiss wie die neuen Herrscher
nur in Dur.
die Endzeit ist ferner weg denn je,
Trompeten und Posaunen rosten,
wir kosten nur noch Niederlagen
und nicht einmal die letzte.
dass Arbeiter nicht nur Automobile tragen,
sondern die ganze Welt
wurde vergessen
denn seit gestern stehen
die Atlanten erneut voller Löwen.
2. Gotha
statt Programme werden hier nur noch
geriebene Lügen geschrieben.
Christo wird eingeholt
den Leerstand mit
augenverblendenden Tüchern
voller Türen und Fenstern
zu überdecken
(wie einst ein Anstreicher mit Sozialtünche).
3. Mühlhausen
das Werk der Leute vom Berg
steht zeitweillig still.
Thomas Münzer ist ein Gymnasium.
ob seine Seele nur schlummert?
(wie Barbarossa, aber ohne Bart)
Bauern gibt es nicht mehr
geschweige denn…
“haut die Glatzen
bis sie platzen”
könnte da seine verzerrte Seele sein?
4. Erfurt
um den Maibaum tanzen nur Schatten.
Mauern sagen:
“wir bleiben alle”
und überdauern sichselber kaum.
im Teegut suchen Rentner
sich das billigste aus
und finden es nicht.
am 1. Mai
ziehen alle Karawane vorbei:
die Hunde bellen nicht mehr.
auf dem Friedhof liegen Napoleons Tote
alsob die Geschichte von Gestern wär;
sonst ruhen nur die Lebendigen sich hier aus.
5. Buchenwald
Suum Cuique ist eine Schülerzeitschrift
aus Amsterdam.
das Paradies sieht wie ein Hain voller Buchen aus:
hörst Du, Geliebte,
wie die Leichen schweigen im Walde?
(warte nur, warte nur…).
selbst die Eiche
darunter Goethe seine Verse schrieb
hatte damals schon keine Tränen mehr.
“12. Thälmann ist zu exekutieren”
und das wird er seitdem immer wieder
ganz obligat
in diesem Nazinachfolgestaat.
6. Weimar
die eine schaut keusch hinunter
die andere stolz nach oben;
über ihre Riesengoldtitten jedoch
schämen die neureichen
emporgekommenen Damen sich nicht.
Ideallandschaft mit Liebestempel,
der Himmel ist von Delftem Blau,
nur die Putos tragen noch Sichel
(ohne Hammer).
Schiller ist ein Kaufhaus,
Goethe eine Kneipe.
darf man nur im
Rassegeflügelzüchterverein
noch Unterschiede machen?
die Anmut in diesem Dorf
ist nur auf Gemälden zu finden:
ein einsames Einhorn
im Hortus Conclusus
der Lust.
nur in der einen einzigen Kneipe
herrschen Ruhe und Friede,
im Eurocafé für Leute ohne Knete.
7. Jena
tief in den weitesten Wolken
wohnen die Philosophen
und belehren den Weltgeist.
die Schlegel, der Schiller,
die Humboldts, der Hegel
hier schliefen sie alle
und lullten Deutschland und Europa ein.
nur der Hardenberg starb zu früh
um politisch zu sein;
seine Nachkommen jedoch wollen noch immer dasselbe
Europa und die Christenheit:
8.
geschmeidig wie mit Vaseline
glitt die Republik in das Reich hinein
und wieder in die Republik über
und wieder…
nimmer hört es auf,
das hört nimmer auf.
Wieland grinst,
der alte teutsche Merkur
löscht das letzte Licht.
in wenigen Minuten
fängt das Mittelalter an.
27 September 2009
Geen Commentaar
Printen
Auf Reisen 3
weder frisch
noch frei von Sorgen
begrüssen wir den zigsten
albernen Morgen
wir radeln durch den Mist
und die Nebel des Lebens
weg von den Krieghöfen
der Lebendigen
durch eine Landschaft
wo Fische blöken
Kühe zwitschern
und Krähe sich stumm
in ewigen Kreisen drehen
ruhmlos wird sie zugrunde gehen
wie ein altes feistes Zeitalter
“Kopf hoch!”, sagt eine Sonnenblume
die ihre Krone tief zum Boden neigt
obwohl die Keuschheit herrscht
in diesem Lande
ist die Jagd des Lebens stärker
als die Sehnsucht nach dem Tod
in Kirchen zertreten alte Jungfern
halbmondsüchtige
Drachen und Schlangen
mir friert die Zeit
in die Gelenken fest
ich sehe kein Eräugnis mehr ringsum
auch die Welt wird blind
Trauertannen tragen trübselige Schleier von Ewigkeit
alle Kinder werden hier tot geboren
nur ein giftig gewordener Tintenpilz bleibt:
ich inmitten einer Riesenwiese
voller tollen freundlichen Menschen

27 September 2009
Geen Commentaar
Printen
Eduard von Keyserling
Bijvoorbeeld.
Tijdens de afgelopen vakantie heb ik niet zo veel gelezen – meestal waren we per fiets onderweg van het ene slot naar het andere, van de ene kerk naar de andere, van het ene klooster naar het andere, en tenslotte van het ene stadje naar het andere. Veel tijd bleef er ‘ s namiddags of ’s avonds niet over, ook gelet op de vermoeidheid na de tocht van de dag.
Maar éen van de gelezen schrijvers was Eduard von Keyserling. Ik kende die wel van óver hem gelezen te hebben, maar voor zover ik me herinner had ik nog niets van hem gelezen – tenzij misschien in mijn studententijd een verhaal in een anthologie. Maar daar is me dan niets van bijgebleven. Geen boeken in elk geval.
Nu heb ik twee verhalenbundels gelezen, beide verschenen in de prachtige reeks boekjes uit de ‘Manesse Bibliothek der Weltliteratur’: Schwüle Tage en Im stillen Winkel ( Manesse Verlag, Zürich, 2005 en 2006). Er zijn mensen die die boekjes verzamelen. Ik kan dat goed begrijpen, want het is een van de mooiste reeksen uit het Duitse taalgebied (uit heel Europa zelfs, denk ik).
Von Keyserling is wat mij betreft een sublieme ontdekking. Niet zozeer wegens de inhoud; het gaat telkens over de gewone zaken des levens: liefde en dood, kinderen, oorlog. Helemaal niets speciaals. Maar de verfijnde, werkelijk aristokratische stijl van von Keyserling maakt er iets speciaals van. Het is net alsof hij met verschillende tinten van telkens meer of minder gedempt licht schrijft. Hij spreekt ook zelden de zaken direct uit, maar suggereert, door middel van het juiste gebruik van adjectieven (die niet altijd uit den boze zijn – zoals sommigen wel beweren), door de verschijnselen in de natuur of door gewoon dingen op een bijzondere manier te laten spreken, in de plaats van de mensen zelf. Over het geheel hangt een atmosfeer van melancholie, van afscheid nemen.
De vertelwijze is erg langzaam, von Keyserling behoort tenslotte nog tot de lange 19de eeuw, hij stierf in 1918. De zinnen hebben een normale lengte, maar de woordenschat is zonder gezocht te zijn van een geraffineerde schoonheid, en soms een beetje gewild archaïsch (ofwel komt dat nu, goed honderd jaar later zo over). Je moet proeven van dit proza, het is geen lectuur zoals die heden ten dage geproduceerd wordt aan de lopende schreeuwende band. Het is literatuur, echte, goede. Een fles Bowmore Islay Single Malt van 16 jaren oud, de limited edition van 1989, drink je ook niet in één keer leeg; het is een drank om van te genieten, geen Mass vol pis.
Ik heb me ook de andere boeken van von Keyserling die nog verkrijgbaar zijn aangeschaft. Het zijn er niet zo veel. In zijn eerste periode schreef hij nog naturalistische romans, maar na de eeuwwisseling dus enkel nog de verhalen en novellen waarmee hij bekend gebleven is. Meestal zijn ze kort, ook als ze ‘roman’ genoemd worden.
Von Keyserling was afkomstig uit een adellijk geslacht uit Kurland – een streek die je nu tevergeefs op de kaart gaat zoeken. Het was een deel van wat nu Letland heet, de gewone bevolking sprak er Lets, de hogere klassen, voornamelijk grootgrondbezitters, adel dus, sinds de middeleeuwen Duits. De landelijke verhoudingen van toen zijn in zijn novellen gemakkelijk terug te vinden. Maar totaal gesublimeerd uiteraard, tot pareltjes van prozakunst, die ik aan iedereen aan kan raden.
Dit is literatuur die ervoor zorgt dat je toch nog wel even in leven wil blijven.
22 September 2009
Geen Commentaar
Printen
Vuiligheidsdiensten
Het was weer enkele jaren geleden dat we nog eens in München waren. Meestal komen we daar op doorreis, bij het begin van een vakantie voor een of twee dagen, en op het einde van een vakantie voor een of twee dagen. Daarbij logeerden we meestal in hetzelfde hotel, dicht bij het station enerzijds, en vlak bij de ingang van de Wies’n, waar op dit ogenblik de jaarlijkse bierfeesten weer plaatshebben, anderzijds.
Zeker wanneer we het hoekje omlopen om even verder in een plaatselijk restaurant waar totaal geen toeristen komen te gaan eten, passeren we vlak aan de ingang van de plaats waar dat jaarlijkse feestgebeuren plaatsgrijpt. Telkens moet ik dan heel even denken aan de 26ste september 1980, toen daar de ergste bom uit het naoorlogse Duitsland ontplofte, en tientallen doden en gewonden maakte. De aanslag werd nooit opgeëist, maar dat de RAF er niks mee te maken had, zoals de halve (of hele?) nazi Frans-Joseph Strauss onmiddellijk beweerde – er waren verkiezingen in aantocht en dan kunnen enkele uiteengerukte lijken wel van dienst zijn – , dat wist zelfs elke blinde en dove onmiddellijk. Dit was van een heel ander kaliber.
De aanslag werd toegeschreven aan de zgn. Wehrsportgruppe Hoffmann, genaamd naar de oprichter en leider Karl Heinz Hoffmann (de Duitse Bert Eriksson zou je kunnen zeggen, en zijn groep de Duitse VMO – er waren trouwens contacten tussen beide), maar die is altijd elke betrokkenheid blijven loochenen.
Een tijdje geleden al las ik de roman van Hoffmann: Verrat und Treue, ein an Tatsachen orientierter Roman (Themis Verlag, Neunkirchen, s.d.), en ook daaraan moet ik telkens weer even denken als ik daar langs kom.
Het is het soort boek dat niemand voor zijn plezier leest. Zelfs als een goeie redacteur er vier vijfde uit zou schrappen, blijft er nog steeds niks over dat de moeite waard is. Dan liever drie kanjers van Jan Struelens over Mulisch, daar heb je toch nog het genot van de ergernis van. Maar een voordeel is wel dat je door de oeverloze herhalingen van steeds hetzelfde zo snel leest, dat je de kanjer van bijna 800 bladzijden sneller uit hebt dan een stationsromannetje van 50 bladzijden. Het boek zou enkel gebruikt kunnen worden in een universitair seminarie om in de praktijk aan de studenten te tonen hoe je geen romans schrijft: herhalingen moeten noodzakelijk zijn, als je een spreekwoord gebruikt is het onnodig nog eens een hele paragraaf te gebruiken om de betekenis ervan uit te leggen, enz. Om over het zelfingenomen zelfbeeld van de auteur (die we in dit geval zonder probleem mogen vereenzelvigen met de hoofdpersoon) maar te zwijgen.
Om te zien of een romanschrijver echt iets kan, moet je naar de liefdesscènes kijken, die vormen als het ware een meesterproef. Als je dat tot een goed einde brengt, zonder clichés en zonder op een leerboek anatomie te lijken, dan ben je meestal alleszins wel een goed stilist. Dergelijke scènes zijn voor een prozaïst het moeilijkst tot een overtuigend einde te brengen. In Hoffmanns boek komt één enkele liefdesscène voor (pp. 464-465), en ze is om van plaatsvervangende schaamte ergens in een hoekje weg te kruipen. Deze clichés zijn in een kioskromannetje op z’n plaats, en geven zodoende het literaire niveau aan waarop Hoffmann staat: ’siebten Himmel der Seligkeit’, ‘makellosen weissen Körper’, ‘den in kupfernem Rot schimmernden Flaum ihres Venushügels’, ‘im Fleisch der Muschel verborgenen köstlichen Perle der Lust’, ‘mit einem wilden Stoss dringt Brandt in sie ein und lässt dann ein wahres Stakkato nicht weniger heftiger Stösse folgen. Unter ihm bäumt sich der geschmeidige Mädchenkörper auf und gibt ebenso kräftig Antwort auf jede Bewegung’. Nee, geef mij dan maar echte pornografie, daar krijg ik tenminste een erectie van.
Maar als je zo’n boek leest, doe je dat uiteraard niet om literaire redenen. In dit geval om politieke redenen, omdat Hoffmann in dit boek zijn visie geeft op de aanslag van 1980 op het Oktoberfest. Niet dat die visie juist zou zijn, laat staan de waarheid zou bevatten, maar omdat het interessant is er kennis van te nemen.
Het eerste wat opvalt: Hoffmann kent wel wat van geheime diensten en hoe ze te werk gaan. Deze stukken van zijn roman zijn uiteraard speculatief, maar waarschijnlijk is het wel zo gegaan. Er wordt een profiel opgesteld van een dader, er wordt vastgelegd wie voor de aanslag verantwoordelijk moet worden gemaakt, en dan wordt via de databanken een persoon gezocht die aan alle voorwaarden voldoet. In dit geval was dat ene Gundolf Köhler, die inderdaad van heel verre met de Wehrsportgruppe Hoffmann vandoen had gehad. De man werd zelf ook opgeblazen, hetgeen waarschijnlijk ook de bedoeling van de opdrachtgevers was, die de bom wel van op afstand hebben doen ontploffen (zonder dat Köhler dat wist uiteraard).
Dat scenario is totaal waarschijnlijk. Wat niet meer waarschijnlijk is, is het feit dat Hoffmann dit scenario in de schoenen schuift van de joden, zeg maar de Mossad. Ik ben geen vriend van die dienst, die in mijn ogen de misdadigste, crapuleuste, smerigste, nietsontziendste van alle vuiligheidsdiensten ter wereld is, en die in staat is om over honderden, duizenden, als het moet honderdduizenden lijken te gaan als het in hun kraam past. Maar zij hadden op dat ogenblik geen enkel voordeel bij zo’n aanslag in Duitsland, en dat is wat telt. Dat het een kwestie van wraak zou zijn voor de judeocide van de nazis lijkt me zever. In zijn misdadigheid is de Mossad te rationeel om vanuit dat soort gevoelens te vertrekken. En het is niet omdat ze een gelijkaardige racistische ideologie aanhangen als de nazi’s, dat ze blindelings aanslagen gaan plegen. Zo werkt dat niet.
Veel interessanter als bron om iets van die aanslag te begrijpen is een wetenschappelijk aandoend, alhoewel toch journalistiek onderzoek van Tobias von Heymann: Die Oktoberfestbombe. München 26. September 1980 (NORA Verlagsgemeinschaft, Berlin, 2008). Minutieus worden in dit boek alle aspecten en alle bronnen onderzocht, zoals die op het ogenblik voorliggen en raadpleegbaar zijn, daaronder ook de dossiers ter zake van het MfS. Vele documenten worden trouwens afgedrukt in het boek, zodat de lezer er rechtstreeks kennis van kan nemen. Het boek is van een grondigheid die het woord ‘onderzoeksjournalistiek’ volledig recht geeft, en zoals hier te lande nooit geschreven werd bij mijn weten, zelfs niet door wijlen Walter De Bock. Nochtans trekt de man amper conclusies uit de massa’s feiten die hij aanhaalt en analyseert. Enkel eigenlijk dat Gundolf Köhler met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet alleen gehandeld heeft, maar dader en slachtoffer tegelijk was.
Opvallend in het boek is het feit dat een hoofdstuk van honderd bladzijden gewijd is aan de zgn. stay-behind-groepen van de NATO in Duitsland, méér dan één hoofdstuk en honderd bladzijden zelfs, want ook het daarop volgende hoofdstuk handelt daarover. Nergens zegt de auteur expliciet dat die groepen iets met de aanslag te maken hebben. Hij zegt het niet eens impliciet. Maar als je tussen de regels kunt lezen, en zelf de feiten met elkaar in verband kunt brengen, dan ligt eigenlijk maar één conclusie voor de hand. Tegenstanders zullen zeggen: hij beroept zich quasi uitsluitend op dossiers van het MfS. Daarbij vergetend dat het MfS die dossiers niet aanlegde om ze in 1990 te laten overnemen door de vijand. Al even opvallend is dat de Duitse vuiligheidsdienst die voor die stay-behind-groepen verantwoordelijk was, de BND (Bundesnachrichtendienst) is. Dat is niet alleen een nazidienst, het is ook een Amerikaanse nazidienst, en dus een nauw aan de NATO gelieerde nazidienst. Waarom zeg ik dit: in de geheime dienst van de Wehrmacht bestond er tot 1945 een afdeling ‘Fremde Heere Ost’, geleid door de hoge SS-officier Reinhard Gehlen. Die werd in 1945 met heel zijn dienst gewoon overgenomen door de Amerikanen, en werkte gewoon verder onder hun leiding tot in 1956, toen de ‘Organisation Gehlen’ werd omgevormd tot de BND, in schijn zelfstandig, maar nog heel lang nauw samenwerkend met de Amerikanen(en de Mossad natuurlijk!), tot op de dag van vandaag eigenlijk. Vandaar: nazidienst.
Dat brengt mij tot een verder boek in deze reeks: het doctoraat in de politieke wetenschappen van Dr. Daniele Ganser, afgelegd in Zwitserland, en dat in Engeland verscheen onder de titel Nato’s secret armies. Operation Gladio and Terrorism in Western Europe. (Frank Cass, London and New York, 2005). Dit boek beschrijft quasi de hele geschiedenis van Gladio, in heel West-Europa, en gaat vooral diep in op de verbanden met extreem-rechtse en rechtaf fascistische bewegingen en groepen in de verscheidene landen van de NATO. Eigenlijk is dit gewoon verbijsterende lectuur, zeker voor eenvoudige zielen die (nog) denken dat de NATO zoiets als vrede en democratie verdedigen zou. Opvallend is dat Ganser zo goed als uitsluitend op officiële bronnen steunt bij zijn onderzoek.
Er staat in het boek van Ganser ook een hoofdstuk over België. En daaruit kunnen we vernemen dat de Belgische militaire vuiligheidsdienst SDRA (Service de Renseignements et d’Actions – inmiddels is hij van naam veranderd) verantwoordelijk was voor de planning, organisatie en waarschijnlijk ook grotendeels de uitvoering van de terreur die Belgë in de jaren 80 van de vorige eeuw kende: de 6de afdeling van SDRA (verantwoordelijk voor de Rijkswacht, die toen nog onder defensie ressorteerde) zorgde voor de CCC (Cellules Communistes Combattantes), de 8ste afdeling van SDRA (verantwoordelijk voor de stay-behind-groepen in België – samen met een specifieke afdeling daarvoor bij de gewone Staatsvuiligheid trouwens) voor wat de ‘Bende van Nijvel’ is gaan heten.
Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat er nog steeds een zgn. Cel Jumet bestaat, die zogezegd verder speurt naar de misdaden van die Bende van Nijvel. Het kan niet dat die niet op de hoogte zou zijn van het bovenstaande. Eigenlijk kon eenieder die dat wou het van in de jaren 80 al weten. Hoewel ‘weten’ niet hetzelfde is als ‘bewijzen’ uiteraard. Maar als er maar één onderzoeksrechter geweest was met een beetje moed, dat had men toen al huiszoekingen verricht bij die dienst. Nu is het daarvoor wel te laat. België is erger dan Italie, want daar waren wél moedige onderzoeksrechters, die de band tussen de fascistische aanslagen in Bologna en elders en de militaire en andere vuiligheidsdiensten aldaar hebben kunnen blootleggen en bewijzen. Niet dat het veel heeft opgeleverd natuurlijk; dat soort volk stond en staat nu eenmaal boven elke wet.
Tenslotte wil ik in dit kader nog twee boeken noemen, die al wat ouder tot veel ouder zijn. Daar is op de eerste plaats Im Namen des Staates. Cia, BND und die kriminellen Machenschaften der Geheimdienste (Piper Verlag, München, Zürich, 2000) van Andreas von Bülow. Von Bülow was afgevaardigde in de Bundestag (het Duitse parlement) en zelfs korte tijd minister. Ik hou niet van sociaal-democraten (net zomin als van ‘groenen’ trouwens) maar af en toe kom je er toch eens eentje tegen, die nadenkt en vragen stelt en zelf op onderzoek uittrekt – en dus zijn politieke carrière maar laat vallen, zoals Andreas von Bülow, die in een parlementaire commissie zat die vuiligheidsdiensten onderzocht; maar er bleek alras dat enkel die van het voormalige oostblok onderzocht mochten worden, de andere waren van ‘ons’ en dus ‘zuiver’.
Von Bülow toont in zijn boek haarfijn aan dat dit leugens zijn, bedrog van het hoogste gehalte, en dat alle geheime diensten verwikkeld zijn in zo mogelijk alle criminele zaken die er in de wereld gebeuren. Wanneer je zijn boek uit hebt, kun je maar tot één enkele conclusie komen: geheime diensten zijn vuiligheidsdiensten, zijn misdaadorganisaties. Wil ik daarmee zeggen dat alle vuiligheidsdiensten over één kam geschoren moeten worden? Ja, in de mate dat ze allemaal minstens potentieel crimineel zijn. Nee, omdat er hoe dan ook onderscheid is, en die onderscheiden ook gemaakt moeten worden. Er zijn straatboefjes en er is Al Capone. De Belgische Staatsvuiligheid is de Mossad niet. Maar dat heeft uiteraard eerder te maken met de onbelangrijkheid van België dan met iets anders. Toen Lumumba vermoord moest worden, werd er géén ogenblik geaarzeld. En als dat in de toekomst nog moet gebeuren, zullen ze evenmin aarzelen. Nederland is even onbelangrijk als België, en de AIVD heeft geen ogenblik geaarzeld om Pim Fortuyn koud te laten maken toen dat in hun ogen noodzakelijk werd.
Tenslotte vermeld ik gewoon een laatste boek in de reeks: L’Orchestre Noir van Frédéric Laurent (Stock, Paris, 1978). Dat gaat meer bepaald over Italië, Portugal, Spanje en Frankrijk, en de verwevenheid tussen oude en nieuwe fascisten enerzijds, en vuiligheidsdiensten anderzijds. Het schetst ook de geschiedenis van die verwevenheid sinds 1945, met een sterke nadruk op Frankrijk uiteraard (Indochina, Algerië, OAS). Maar de feiten zijn gelijkaardig, de boodschap dezelfde.
In het bedrukt papier dat krant of weekblad genoemd wordt, lees je daarover niet, daar staat hoogstens propaganda in over hoe goed het allemaal wel niet gaat, en over hoe slecht die moslims wel niet zijn. En op TV houdt men niet op van een scheet in Molenbeek een atoombom te maken – ook al omdat Moslims ermee gemoeid zijn waarschijnlijk. Uit dat soort media haalt 95 % van de bevolking zijn kennis over de wereld, over de feiten en gebeurtenissen die ook voor hen belangrijk (kunnen) zijn. Met andere woorden: heel ons medialandschap is één enkele aanhoudende golf van desinformatie. Anders kun je het niet noemen.
We leven in een gangsterregime, de staten in het Westen worden mede bevolkt door moordenaars en terroristen, en niemand weet het. En als het dan eens uit zou komen, dan gebeurde en gebeurt dat allemaal uit naam van de Democratie, de Vrijheid, de Waarden van de Verlichting, enzoverder enzovoort.
Hoe ver je geraakt na een kort verblijf in München… Het is zo ontmoedigend allemaal, dat ik nu maar snel terugkeer naar aangenamere zaken, naar fraaiere boeken.
21 September 2009
Geen Commentaar
Printen
Harry Mulisch
Harry Mulisch behoort niet tot mijn voorkeurauteurs. Dat heeft niks met zijn werk of zijn persoon te maken, maar is gewoon toevallig zo gegroeid. Je kunt nu eenmaal niet alle schrijvers volgen of bestuderen. En dat belet overigens niet dat ik het overgrote deel van zijn boeken wel gelezen heb, en dat sommige daarvan een onuitwisbare indruk hebben gemaakt. Het betekent misschien vooral ook dat ik de secundaire literatuur over Mulisch nooit echt gevolgd heb (zoals ik dat bv. wel gedaan heb voor Hermans en Claus).
Maar nu heb ik dus wel twee boeken over Mulisch gelezen.
Het eerste is van de hand van Michel Dupuis, en draagt de ietwat vreemde titel: Halfdoden en de hemel. Experimenteel zelfonderzoek en surrealiteitsverlangen bij de jonge Harry Mulisch ( Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Gent, 2007). Wanneer je ervan uitgaat dat literatuurwetenschap inderdaad een vorm van wetenschap is, dan heb je hier een voorbeeld van een rustig, zakelijk, voorzichtig, maar toch indringend onderzoek naar enkele aspecten van het werk van de jonge Mulisch. Dupuis maakt het zichzelf daarbij niet gemakkelijk, want psychologische literatuurbeschouwingen kunnen valkuilen zijn waar je invalt voor je goed en wel vertrokken bent. Maar het uitgangspunt, nl. dat die jonge Mulisch vooral ‘zielsproblematiek’ verwoordt, lijkt me zonder meer juist. Ik hoef me maar Archibald Strohalm te binnen te roepen. Maar Dupuis toont aan, dat dit ook voor andere vroege werken geldt.
Bij zijn analyses houdt Dupuis zich minutieus aan de tekst zelf van de verhalen en de roman die hij bespreekt, en hij vermijdt zorgvuldig Hineininterpretierungen. Zelfs verwijzingen naar Freud vind je slechts sporadisch, misschien omdat de lezer geacht wordt met de basisprincipes daarvan al vertrouwd te zijn. Mulisch zelf heeft gewaarschuwd voor en zich verzet tegen psychologische interpretaties van zijn werk. Hij zal wel weten waarom natuurlijk. Maar in Dupuis heeft hij wel een goeie psycholoog gevonden, een die enkel gebruik maakt van feiten die onomstotelijk vaststaan (omdat Mulisch zelf er in autobiografische teksten melding van heeft gemaakt), en die, ik herhaal het, alle speculaties die niet door de tekst gesteund worden, de kop indrukt.
Daarbij weet hij ook goed een verband te leggen met surrealistische invloeden op datzelfde jeugdwerk. Ofschoon dat aspect meer vragen bij me oproept, maar dat heeft wellicht eerder te maken met het feit dat ik inderdaad niet goed op de hoogte ben van wat het surrealisme allemaal inhoudt.
Michel Dupuis komt uit de school van Jean Weisgerber, en dat is op zich eigenlijk al een garantie voor kwaliteit. De accurate behandeling van Mulisch’ werk gaat hier gepaard met een langzame, beheerste schriftuur. Dat betekent dat je je tijd moet nemen om te lezen, maar ook dat het gelezene sterker bijblijft.
000
Dat is op een totaal andere manier ook het geval met een ander werk over Mulisch: De exegese van het tegenboek. Mulisch’ oeuvre en The Da Vinci Code (AcigolanA, Brussel, 2009) van Jan Struelens. ‘Op een totaal andere manier’: daarmee bedoel ik dat ik zelden zo vaak met mijn hoofd heb geschud als bij de lectuur van dit boek, dat in bijna alles een voorbeeld is van hoe het nou echt niet moet.
De bestseller van Dan Brown verscheen in 2003. De laatste roman van Mulisch, Siegfried, in 2001. De eerste kan Mulisch dus al zeker niet beïnvloed hebben. Maar voor het feit dat Dan Brown op de hoogte geweest zou zijn van het werk van Mulisch, wordt ook geen enkel argument aangehaald. Beider werk heeft dus niks met elkaar te maken.
“Comparer certes, mais sur quelles bases?”, vroeg Weisgerber zich af in een ander verband.
Kun je die twee dan ook niet met elkaar vergelijken? Uiteraard wel, want dat is wat Jan Struelens hier een boek lang doet. Maar laten we wel wezen: je mag en kunt alles met alles vergelijken natuurlijk, maar sommige vergelijkingen zullen eerder gerangschikt moeten worden onder een surrealistische noemer dan iets anders. Bij gebrek aan wederzijdse beïnvloeding kunnen er tussen Brown en Mulisch enkel maar overeenkomsten bestaan. Je kunt die vaststellen, maar daar blijft het dan ook bij.
Struelens gaat duidelijk verder dan die vaststellingen: hij suggereert (durft hij het niet expliciet zeggen?) dat de bestseller van Dan Brown eigenlijk door Mulisch geschreven is. Dat is niet alleen niet waar, het is niet eens goed gevonden (om bij het eerste motto van de auteur boven zijn boek aan te sluiten), want op helemaal niets gebaseerd. De overeenkomsten tussen beide auteurs kunnen hier niet als bewijs gelden, al was het maar wegens de oppervlakkigheid ervan. En wegens het feit dat ze soms met de haren erbij gesleurd worden, om de eenmaal ingenomen stelling toch maar te ondersteunen
Jan Struelens jaagt in dit boek een idée fixe na, zijn boek is eigenlijk een vorm van literaire paranoia: vertrekkend van een valse premisse werk je die minutieus uit tot je een coherent en ogenschijnlijk logisch systeem krijgt. Alleen vergeet je dat die premisse vals is, zoals bij alle Christussen, Napoleons, Hitlers et tutti quanti in alle krankzinnigengestichten ter wereld. Maar kom er maar eens om om dat aan de betrokkenen diets te maken.
Ook vergelijkende literatuurwetenschap kan valkuilen verbergen. Ik herinner me uit mijn jeugd, 1968 of all years, een boek van Jean Weisgerber, Faulkner et Dostojevski. Confluences et influences. (Presses Universitaires de France, Paris/Presses Universitaires de Bruxelles, 1968), waarin deze een meesterlijk voorbeeld gegeven heeft van wat vergelijkende literatuurwetenschap is, kan zijn en moet zijn. Altijd bij de feiten blijven, d.w.z. aan de hand van brieven, dagboeken enz. aantonen dat de schrijvers die je wil vergelijken inderdaad kennis hadden van elkaar en op welke wijze, dan zien hoe de latere de eerdere in zijn scheppend werk al dan niet verwerkt. Enz. Maar steeds gebaseerd op de teksten, en niet op speculaties. Ik kan dit boek van Weisgerber nog steeds aanraden aan iedereen die wil weten wat vergelijken in de literatuur inhoudt.
Het boek van Struelens is het tegendeel daarvan volgens mij; Struelens zal wel ervan uitgaan dat ik absoluut geen voeling heb met zijn uitgangspunt, dat op ‘analogische gevoeligheid’ gebaseerd is. Dat laatste heb ik inderdaad helemaal niet, ik blijf liever met mijn voeten op de grond, of in de tekst in onderhavig geval.
Zonde van zoveel verspild talent.
20 September 2009
6 Reacties
Printen
Paul Claes en de canon
Lyriek van de Lage Landen. De canon in tachtig gedichten (De Bezige Bij, Amsterdam, 2008) heeft duidelijk didactische bedoelingen, ook al wordt dat niet met zo veel woorden gezegd. Het moet dus ook vanuit die optiek beoordeeld worden.
Voor wie regelmatig poëzie leest, en dat al een heel leven doet, maar weinig herleest, is dit boek een genot: alle gedichten erin ken je, heb je minstens één keer (vaak al decennia geleden) gelezen, sommige ook meermaals. Enkele ken je zelfs quasi uit het hoofd. Ze allemaal bij elkaar te zien in een toch wel beknopte bloemlezing, is een unieke kans om er hernieuwd kennis mee te maken. Of, voor jongere mensen: er voor het eerst kennis mee te maken, en van daaruit de dichters die je het meest bevallen, uit te kiezen en grondiger te gaan lezen.
Het didactische element vind je in de kommentaren van de samensteller: bij elke dichter wordt vooreerst een paragraaf aan het leven, en een aan het werk gewijd, zeer kort en zeer beknopt, maar meestal wel juist en to the point. Schools uiteraard, maar dat kan gewoon niet anders in een dergelijk boek. Je moet wel een zeer grote en uitgbreide kennis bezitten van de Nederlandse letteren, en een groot synthetisch vermogen. Maar dat heeft Paul Claes uiteraard.
Bij elk gedicht horen dan weer drie (of vier) paragrafen: respectievelijk over de situering ervan, de techniek, de thematiek en gebeurlijk de nawerking. Zelfde opmerkingen hier als daarnet, zowel wat het schoolse en dus schematische betreft, als de grote kennis van de samensteller.
Ook wie ‘canon’ zegt, zegt ‘keuze’. Daar valt niet aan te ontsnappen. Voor het overgrote deel kun je inderdaad zeggen dat de door Claes gekozen gedichten inderdaad tot de canon behoren. Of zij de canon ook uitmaken is een andere vraag. Waarop mijn antwoord negatief is. De canon is breder en omvangrijker. Maar zelfs wat deze beperkte canon betreft, kun je bij bepaalde keuzes vragen stellen: behoort Marnix Gijsen tot de lyrische canon? Er zijn argumenten voor aan te halen, en argumenten tegen. Zelf zou ik hem niet gekozen hebben. Als er toch nog een Vlaming bij moest, dan liever Minne. Wat mij betreft.
Twee kleine schoonheidsfoutjes heb ik opgemerkt: bij Nijhoff is er verwarring ontstaan tussen de bundeltitels Vormen en Nieuwe Gedichten (p. 296), en Piet Paaltjens houdt de hand niet op het hart, maar op de rechterborsthelft (p. 225). Tenzij zijn ingewanden averechts gelegen zouden hebben. Je weet maar nooit natuurlijk.
In mijn tijd (hoe oud moet je geworden zijn om zoiets te schrijven!) zou een dergelijk boek gebruikt zijn in de hoogste klassen van de humaniora, wat toen nog Poësis en Rethorica heette. Maar na de vele demokratiseringsgolven die als evenzovele tsunami’s over het onderwijs (voornamelijk het rijksonderwijs) geraasd zijn sindsdien is er van onderwijs niet veel sprake meer, en is het alleszins ondenkbaar dat dit boek nog in het middelbaar onderwijs gebruikt zou kunnen worden. Misschien nog wel in de kandidaturen van het universitaire onderwijs. Maar die zijn inmiddels ook al afgeschaft, zonder dat iemand mij ooit heeft kunnen uitleggen wat de betekenis is van, laat staan overtuigen van het nut van de nieuwe bachelor/master-structuur.
Het is hoe dan ook een mooie bloemlezing geworden, die een brede verspreiding verdient, trouwens ook omwille van de prachtige vormgeving.
17 September 2009
Geen Commentaar
Printen
Cioran
Wanneer je het kleine bij zijn Cahiers horende boekje dat verleden jaar in oktober in boekvorm verscheen (Cahier de Talamanca, Mercure de France, Paris, 2008) erbij rekent, zijn er het afgelopen jaar niet minder dan vier boeken van Cioran verschenen. Niet slecht voor iemand die ondertussen toch al ettelijke jaren dood is.

Het belangrijkste van die vier is waarschijnlijk wel Transfiguration de la Roumanie (L’Herne, Paris, 2009), de enige tekst van de jonge Roemeen Cioran die nog niet in het Frans vertaald was. En zijn enige geschrift overigens, waarin hij een probleem op een systematische manier behandelt. Ofschoon…systematisch…behandelen…
Het boek is vooral een warhoofdig filosofisch brouwsel, dat enkel zo belangrijk is omdat het beter dan welke van zijn andere vroege teksten ook toont waar de Cioran die we kennen vandaan komt. En dat is van wel heel ver.
Het boek staat in het teken van twee begrippen: nationalisme en messianisme. Een combinatie die in de jaren dertig uiteraard veelvuldig en overal in Europa voorkwam, en die soms wel heel explosief kon zijn. Wie een beetje van Cioran afwist, wist uiteraard al lang dat hij in zijn jeugd fascist geweest was, en sympathisant van Le Capitaine en zijn groep, de IJzeren Garde (overigens ben je geneigd Cioran gelijk te geven als hij over de kleinheid van zijn vaderland kloeg: in Frankrijk had men tenslotte Le Maréchal en iets later Le Général). Maar in vergelijking met sommige anderen (ik denk bv. aan de pamfletten van Céline, die zijn bijna echt met vitriool geschreven) komt Cioran hier toch eerder mak over. Hij is inderdaad anti-joods (“Si j’étais juif, je me suiciderais tout de suite”, schrijft hij), maar hij gebruikt volgens de inleidster wel nooit de Roemeense equivalenten van de Franse woorden ‘youtre’ of ‘youpin’, zoals Céline dat bijna systematisch doet.
Maar het belangrijkste voor mij is natuurlijk de stijl. Het gebruik van veel te veel niet gedefinieerde filosofische begrippen, en de daaruit voortvloeiende vaagheid maken het boek eigenlijk onleesbaar. Je weet amper waarover het gaat, hier en daar blijft wel iets hangen wanneer het concreter wordt (als hij fascisme en communisme vergelijkt bv., en verder kijkt dan de oppervlakte; maar dergelijke concrete bemerkingen werkt hij dan weer niet uit; of wanneer hij het over de rol van het leger in een maatschappij heeft).
Enkel op het einde van het boek heb ik soms de indruk dat de stijl verandert, en dat je hier en daar al iets van de latere Cioran ontdekt, die van de aforismen, of van andere korte stukken, proza in elk geval waarin de formulering van zeer groot belang is. Uitspraken zoals: “Après chaque guerre, les hommes décident que c’est la dernière”, “Pour l’homme politique authentique, la morale est un luxe dangereux.”, “La force du droit est nulle face à la Force.”, “La musique orientale, ce sont des jérémiades dans un vide cosmique”, “La nature rend fou, de même que les hommes; la nature par son infini, les hommes par leur platitude.” Dit soort uitspraken bewijst dat de latere Cioran hier in nuce zeker al aanwezig is. Het racisme en het fascisme van deze jonge schrijver storen me niet, ik ben nu eenmaal niet politiek correct; de warhoofdigheid vind ik veel erger. Maar misschien is dat wel hetzelfde.
Een overgangstekst is De la France (L’Herne, Paris, 2009). Hij dateert uit 1941, en is dus geschreven toen Cioran al in Parijs verbleef. Hij is nog in het Roemeens geschreven, maar toont wel al aan hoe Cioran een nieuw vaderland zocht, en in Frankrijk ook vond. Een overgangstekst noem ik dit niet alleen daarom, maar vooral omdat Frankrijk (en andere gelijkaardige begrippen) hier nog al te duidelijk als een essentie opgevat wordt. Nu weet ik natuurlijk wel dat je niet zonder dergelijke veralgemeningen ( de Vlaming, de Waal en alle epitheta daarbij die men maar wil)kan, maar dat belet niet dat je je steeds ervan bewust moet blijven dat het inderdaad veralgemeningen zijn, en dat er geen etnische essenties zijn. Dit gezegd zijnde is het gewoon boeiend om lezen hoe Cioran tegen zijn nieuwe vaderland aankeek, en hoeveel er nog over is van zijn fascisme van voorheen in Roemenië. Amper iets dus. Formulering, stijl zijn in de plaats gekomen. Neem gewoon de eerste paragraaf al: “Je ne crois pas que je tiendrais aux Français s’ils ne s’étaient pas tant ennuyés au cours de leur histoire. Mais leur ennui est dépourvu d’infini. C’est l’ennui de la clarté. C’est la fatigue des choses comprises.” In deze tekst komt de nieuwe Cioran uit zijn ei gekropen, het is eigenlijk al meer dan een belofte, ook al zal die pas enkele jaren later, in 1949, met zijn eerste Franstalige boek, ten volle waar worden gemaakt.
En dan is er het 90ste Cahier de l’Herne, samengesteld door Laurence Tacou en Vincent Piednoir, meer dan vijfhonderd grote bladzijden aan Cioran gewijd. Het boek bevat teksten van hem (o.a. bijdragen die hij in het begin van de jaren dertig schreef vanuit Duitsland waar hij toen enige tijd verbleef) en over hem, herinneringen, essays, brieven, een uitgebreide bibliografie. Een Fundgrube kortom, zowel voor wie Cioran al goed kent, als voor wie hem wil leren kennen. Zelfs zijn dossier bij de ’securitate’, de Roemeense geheime dienst, staat erin. Al was het maar om te bewijzen hoe amateuristisch die dienst was, en hoe oppervlakkig.
Het belang van Cioran kan echt niet overschat worden. Hij werd vaker vergeleken met Nietzsche, en terecht, want filosofisch, literair, stilistisch staat hij op dezelfde eenzame hoogte. Maar hij gaat verder en dieper dan Nietzsche. Cioran hoeft de dood van God niet meer vast te stellen, zelfs de systemen die God in de twintigste eeuw vaak vervingen, laat hij voor wat ze zijn, nadat hij ze ontmaskerd heeft. Nietzsche was soms nog extatisch, en uitermate positief. Alsof hij na de dood van God een nieuwe mens ontwaarde, al dan niet een übermensch. Niks daarvan bij Cioran. Die is de luciditeit zelve. Zo lucide dat er werkelijk niets meer overblijft. Alles, maar dan ook werkelijk alles heeft Cioran achter zich gelaten, en hij staat letterlijk met lege handen.
Maar waar hij wel schitterend mee kon schrijven
28 Augustus 2009
Geen Commentaar
Printen
Bukowina en Rimbaud Verlag
Wie het woord ‘Bukowina’ hoort en een beetje op de hoogte is van Duitse literatuur, zal waarschijnlijk onmiddellijk aan Paul Celan denken.
Maar Paul Celan kwam niet uit het niets tevoorschijn uiteraard. Hij was enkel de bekendste vertegenwoordiger van een rijke, duitstalige, vaak joods gewortelde cultuur, die niet alleen in de Bukowina aanwezig was trouwens, maar ook in het iets verderop gelegen Galizien, waar o.a. Joseph Roth vandaan kwam. Die cultuur had een naam: Ostjudentum, en er bestaat een prachtig boek over: Die jüdische Welt von Gestern, Text- und Bild-Zeugnisse aus Mitteleuropa 1960-1938 (Herausgegeben von Rachel Salamander, Verlag Christian Brandstätter, Wien, 1990 – of het nog te krijgen is, weet ik niet) met naast de teksten 425 afbeeldingen uit alle deelgebieden van wat een ‘cultuur’ uitmaakt.
Ook wat de Bukowina alleen betreft, en dan nog meer bepaald de poëzie die daar geschreven werd in het Duits, was Paul Celan enkel de primus inter pares. Dat blijkt vooreerst uit een viertal bloemlezingen. De oudste dateert al uit 1991 en is deeltje 1097 van de beroemde Insel-Bücherei (Klaus Werner (Hg.): Fäden ins Nichts gespannt. Deutschsprachige Dichtung aus der Bukowina, Insel Verlag, Frankfurt am Main, 1991). Het boekje is uitverkocht, maar antiquarisch wel nog gemakkelijk te vinden.
Ook de tweede anthologie, en volgens mij de beste, is uitverkocht. Maar deze is zelfs antiquarisch amper nog te vinden: Amy Colin und Alfred Kittner: Versunkene Dichtung der Bukowina. Eine Anthologie deutschsprachiger Lyrik (Wilhelm Fink Verlag, München, 1994). Deze bloemlezing bevat het breedste en omvangrijkste overzicht, vanaf het begin van de 19de eeuw, terwijl de andere bloemlezingen zich beperken tot de twintigste eeuw. Het beeld wordt daardoor groter, het overzicht panoramischer, het wordt gemakkelijker de individuele dichters te evalueren en in hun context te plaatsen.
De derde anthologie heb ik nooit onder ogen gehad. Het betreft Die verlorene Harfe, eine Anthologie deutschsprachiger Lyrik aus der Bukowina, samengesteld, in het Oekraïens vertaald en uitgegeven door Peter Rychlo (Cernivci, 2002). Goede antiquaren wisten me te zeggen dat het geen zin had deze titel op een lijstje te zetten, omdat hij quasi nooit zou opduiken. Het is de enige tweetalige bloemlezing.
En dit jaar verscheen dan een vierde bloemlezing, iets minder omvangrijk dan die van Colin en Kittner, en ook beperkt tot de twintigste eeuw: Die Buche, eine Anthologie deutschsprachiger Judendichtung aus der Bukowina. De bloemlezing is samengesteld door Alfred Margul-Sperber, die in Roemenië – waar een zeer grote Duitstalige minderheid woonde, die eigen tijdschriften, dagbladen en uitgeverijen bezat – voor duitstalige kunstenaars een belangrijke mentor was, ook bv. van Paul Celan, die in deze bloemlezing nog als Paul Antschel (zijn echte naam) figureert. Hoe komt dat? De bloemlezing werd teruggevonden in de nalatenschap van Margul-Sperber, in verschillende versies, waarvan de oudste nog van voor de oorlog dateert, de tweede van na de oorlog. De eerste versie werd als uitgangspunt genomen, en aangevuld met die gedichten uit de tweede versie die in de eerste niet voorkwamen (vooral gedichten die tijdens en na de oorlog ontstonden, bv. van Paul Antschel/Celan). Het boek wordt aangevuld met een lang essay van Margul-Sperber over de Duitse poëzie in de Bukowina, en door een beperkt gehouden apparaat in de inleiding en de bibliografie. Het boek sluit af met een degelijk nawoord van twee van de editeurs, George Gutu en Peter Motzan (de derde editeur is Stefan Sienerth).
Deze vierde anthologie is een wetenschappelijke uitgave, die verscheen bij de IKGS Verlag in München (Institut für deutsche Kultur und Geschichte Südosteuropas e.V. an der Ludwig-Maximilians-Universität München), maar wordt (ook) verdeeld door de Rimbaud Verlag in Aken (www.rimbaud.de) waar echter enkel particulieren het kunnen bestellen.
Wie al is het maar één van deze anthologieën kan vastkrijgen en lezen, kan zich een zeer goed beeld vormen van de thema’s die een toch beperkte groep mensen op een beperkt oppervlak gedurende een beperkte tijd bezig hielden, en de poëtische vormen die zij daarvoor uitkozen. En voor poëzieliefhebbers in ‘t algemeen, en liefhebbers van Paul Celan in ‘t bijzonder zijn het verrijkende bloemlezingen, waar je lang in kunt bladeren en lezen, en steeds nieuwe dingen ontdekken.
De laatst genoemde bloemlezing wordt, zoals gezegd ook verdeeld door de Rimbaud Verlag in Aken. Aken is niet bepaald het belangrijkste uitgeverscentrum van Duitsland; dat zijn vooral Hamburg, Frankfurt en München; Berlijn komt pas daarna. In dat uitgeverslandschap neemt Rimbaud niettemin een zeer bijzondere en positieve plaats in, niet alleen door de prachtige vormgeving van sommige van zijn uitgaven, maar vooreerst door de aard van die uitgaven. Zo geven zij bv. de werken van Ernst Meister, Erich Arendt, Michael Guttenbrunner et tutti quanti uit, en daarnaast twee reeksen Celan-Studien, etc. Maar in deze context wil ik het enkel hebben over een reeks die in 1994 startte onder de titel “Texte aus der Bukowina”, en die later “Texte aus der Bukowiner Literaturlandschaft” ging heten
(misschien in aansluiting op de ondertitel van een reader: Dietmar Goltschnigg/Anton Schwob (Hg.): Die Bukowina, Studien zu einer versunkenen Literaturlandschaft, Francke Verlag, Tübingen, 1990; geleidelijk is men in de Duitse secundaire literatuur inderdaad gaan spreken van een ‘Literaturlandschaft’ als men het over de Bukowina had; in 1994 was dat blijkbaar nog niet het geval; overigens kan ik deze reader aan iedereen aanraden die een eerste grondige inleiding tot de literatuur van de Bukowina en de achtergrond ervan wil lezen; hij bevat de opstellen van een colloquium dat in 1987 aan de universiteit van Graz plaatsvond)
en waarin inmiddels al 48 delen verschenen (eigenlijk al 52, maar drie ervan, waaronder voormelde anthologie Die Buche, zijn buiten reeks verschenen), terwijl het 49ste voor oktober gepland is.
Een goede introductie tot de reeks is een vijfde algemene anthologie: Bernhard Albers (Hg.): Blaueule Leid, Bukowina 1940-1944, die in 2003 als tiende deel van de reeks verscheen. Zoals de ondertitel al zegt, is het een beperkte bloemlezing, maar die wel de meest cruciale periode omspant, en die dichters en prozaïsten bevat, waarvan in de reeks ook nog afzonderlijke boeken verschijnen.
Dat zijn meestal gedichten, afzonderlijke bundels van Alfred Kittner, Immanuel Weissglas
(die een eigen versie geschreven had van de beroemde ‘Todesfuge’ van Celan, versie die voor het eerst bekend werd gemaakt door Barbara Wiedemann-Wolf in haar Antschel Paul – Paul Celan, Studien zum Frühwerk (Max Niemeyer Verlag, Tübingen, 1985); een dergelijke poëtische verwantschap bewijst op zich al hoe nauw de dichters in de Bukowina op elkaar betrokken waren, hoe ze dezelfde gevoeligheden deelden en vaak op eenzelfde of toch zeer sterk verwante manieren verwoordden)
Alfred Gong, Dusza Czara-Rosenkranz, Kubi Wohl en vele anderen. Naast die afzonderlijke bundels, verschenen in de reeks ook vele bloemlezingen uit het werk van individuele dichters, en van dichters als Manfred Winkler, Georg Drozdowski… zelfs min of meer volledige verzamelbundels.
Maar ook al ligt de nadruk op de poëzie, dan betekent dat niet dat er niet ook andere, belangrijke boeken in de reeks verschenen: zo de roman Nacht van de inmiddels beroemd geworden Edgar Hilsenrath. Of de herinneringen van de als roman- en verhalenschrijver bekende Gregor von Rezzori, die zich in deze Blumen im Schnee ontpopt als een rasstilist, die met een Franse helderheid schrijft. Hij is trouwens niet de enige die in deze reeks memoires publiceerde; ook Moses Rosenkranz, Heinz Kehlmann, Elisabeth Axmann, Ilana Shmueli e.a. deden dat. Deze boeken behoren tot de interessantste, boeiendste en vaak aangrijpendste van de reeks. Het zijn nu allemaal oude mensen (voor zover ze überhaupt nog leven), die terugkeken op de tijd voor de recentste oorlog, toen de Bukowina voor velen van hen, ondanks de dreigingen in de verte, nog een positieve levensomgeving was.
In de recentste nummers is de uitgever ook begonnen met briefwisselingen te publiceren, en uiteraard verder gedichten en romans; deze laatste van prozaïsten die (nog) niet zo bekend zijn als Hilsenrath, maar wier werk alleszins even authentiek is, ik denk bv. aan Dorothea Sella, of Jacob Klein-Haparash.
Men heeft het al vaker gezegd: een dichter kan pas ‘groot’ genoemd worden vanaf het ogenblik dat een vergelijking met andere, mindere of soms grotere dichters mogelijk is. Iedereen is het er wel over eens dat Paul Celan de belangrijkste Duitse dichter is van na de recentste oorlog, waarvan het werk op eenzelfde eenzame hoogte geplaatst wordt als dat van Hölderlin, met wiens visionaire gestalte en vaak hermetische zegging het trouwens heel wat gemeen heeft. Ook het lot van beide dichters vertoont veel gemeenschappelijks. Welnu, om die grootheid van Celan echt te kunnen plaatsen en beargumenteren, is het noodzakelijk ook de dichters die in deze reeks uitgegeven zijn, te lezen. Dan begrijpt men niet alleen dat Celan afkomstig is uit een echt kultuur- en literatuur-landschap, maar ook hoe intens dat heeft ingewerkt, op de jonge en oudere Celan uiteraard, maar eveneens op die anderen, met allemaal hun eigen stem. De wisselwerking tussen de dichters onderling, tussen de dichters en hun stad (Czernowitz vooral) en hun streek, moet zeer sterk geweest zijn. En enkel op die manier is ook de grootheid van Paul Celan te verklaren.
Bernhard Albers, die de Rimbaud Verlag oprichtte, en voor zover ik goed ingelicht ben, nog steeds leidt, verdient een standbeeld omdat hij deze schrijvers, waarvan velen vergeten dreigden te worden, onder het stof vandaan heeft gehaald, en hen een nieuwe kans heeft gegeven. Ik heb eigenlijk maar één opmerking bij deze reeks: uniformiteit zou beter geweest zijn; nu hebben de delen verschillende afmetingen en soms verschillende omslagen. Een uniforme band, waardoor de delen van de reeks onmiddellijk op zouden zijn gevallen, zou er ook voor wat de uiterlijke vorm betreft, een voorbeeldige, bijna perfekte reeks van hebben gemaakt.
In het Nederlands is mij over deze streek, en de plaats daarin van zijn belangrijkste dichter, Celan, slechts één opstel bekend: het hoofdstuk ‘Een rabbi zonder baard (1920-1970)’ van Benno Barnard in diens boek Dichters van het Avondland (Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2006, pp. 240-271). Het is een goed opstel, maar toch veel te beperkt, en te zeer gespitst op Celan zelf. Maar dat kon in het kader van dat boek wel niet anders, denk ik.
7 Juli 2009
2 Reacties
Printen
Hoofddoek
Er is weer veel te doen de laatste tijd over het dragen van hoofddoeken door moslima’s, nadat enkele athenea in Antwerpen dat verboden. Zelf wens ik daar geen mening over te hebben, omdat het volgens mij vanuit welke richting je het ook bekijkt, steeds alleen maar gaat over Kurieren am Symptom. Het echte probleem ligt elders. Alle argumenten kloppen immers, zowel van de ene als van de andere kant. Zodat het enkel een kwestie is van macht, zoals altijd. Wie de macht heeft, heeft het gelijk, heeft het recht en heeft de waarheid.
Het onderstaande gedicht van Germain Nouveau dateert uit het einde van de negentiende eeuw, lang vooraleer er van enig probleem sprake was dus. Maar plots krijgt het een verrassende actualiteit die het voorheen nooit gehad heeft. Of het de zaken anders ziet, weet ik niet, alleszins legt het wel een vinger op een achtergrondwonde die nu veelal onuitgesproken blijft. Bekijk de focalisatie in dit gedicht maar eens.
“MUSULMANES
à Camille de Sainte-Croix.
Vous cachez vos cheveux, la toison impudique,
Vous cachez vos sourcils, ces moustaches des yeux,
Et vous cachez vos yeux, ces globes soucieux,
Miroirs pleins d’ombre où reste une image sadique;
L’oreille ourlée ainsi qu’un gouffre, la mimique
Des lèvres, leur blessure écarlate, les creux
De la joue, et la langue au bout rose et joyeux,
Vous les cachez, et vous cachez le nez unique !
Votre voile vous garde ainsi qu’une maison
Et la maison vous garde ainsi qu’une prison;
Je vous comprends : l’Amour aime une immense scène.
Frère, n’est-ce pas là la femme que tu veux :
Complètement pudique, absolument obscène,
Des racines des pieds aux pointes des cheveux ?”
1 Juli 2009
Geen Commentaar
Printen
Verordening
Doe nu de deuren toe en sluit de ramen,
dicht alle openingen af van kelder
tot op zolder, en zeg ja en amen
tegen ieder die beweert wat helder-
heid te brengen in uw angstige bestaan.
Verberg u in verlaten verre oorden,
want erger dan een pijnbank komt eraan:
een email van Hans-Kwibus Vandevoorde.
(vrij naar Richard Minne)
29 Juni 2009
Geen Commentaar
Printen
