Jan Schouten deel 1
WOORD VOORAF
Wanneer je er de grote literatuurgeschiedenissen – van Jonckbloet in het laatste kwart van de 19de eeuw tot Schenkeveld-van der Dussen op het einde van de 20ste eeuw – op naslaat, zul je de naam van Jan Schouten daarin niet tegenkomen. Voor de literatuurhistorici was hij in zijn eigen eeuw literair blijkbaar al morsdood. En vandaag zullen enkel nog een paar specialisten in de letteren van de 18de eeuw – waar Jan Schouten mentaal nog toe behoorde, ook al schreef hij in de 19de – plus de spreekwoordelijke derde – dat is ondergetekende – van hem gehoord hebben.
Toevallig kwam ik enkele jaren geleden in een Duits antiquariaat een boekje tegen, Die Freimaurerei, in drei Gesängen, waar onder de titel vermeld stond: ‘aus dem Niederländischen’ [1]. Daarop ben ik verder gaan zoeken om zoveel mogelijk over Jan Schouten te weten te komen en om, als het enigszins kon, een exemplaar van zijn werk(en) te bemachtigen, op de eerste plaats natuurlijk van zijn hoofdwerk. Dat lukte. [Verder lezen →]
28 Januari 2006
Geen Commentaar
Printen
Endymions afscheid
zij, met de happige handen
zij, met haar hond
haar blinde begeleider
zie hoe zij rijst
langzaam en zangerig
en spreekwoordelijk als de zwaan
zoals het water
zoals de regen
die rusteloos ruist in zijn hoofd
zo zacht heerst de fakkel van de nacht
geen zwarte gal
geen zwijgen
geen stilte die strenger is
dan dit leven
zo neemt hij afscheid
van het slinkende licht
maar glanzend van geduld
stijgt zij uit haar wagen
en kust hem elk etmaal wakker
hoor, hoe in haar eeuwig licht de doden dromen
hoe zij waakt,
de stralende
28 Maart 2005
Geen Commentaar
Printen
