Literatuur, vrijmetselarij en andere dagelijkse overpeinzingen
Draaiende afbeeldingen... Druk op F5 voor meer!

Viermaal de Verlichting

In 1984 verscheen als deel van een door het tijdschrift Literatuur uitgegeven reeks inleidingen tot verschillende periodes van de Nederlandse letteren ook een boekje Verlichting in de letteren van J. Stouten (Martinus Nijhoff, Leiden).Uiteraard betreft het hier slechts een inleiding, maar toch. Eigen onderzoek heeft de auteur blijkbaar niet nodig gevonden. Maar zelfs daarzonder kan het boekje amper dienen als inleiding tot deze periode. De kenmerken van de Verlichting worden niet expliciet op een rijtje gezet; er worden geen werken van welke aard dan ook behandeld, of zelfs maar genoemd, waarin deze kenmerken grotendeels terugkomen. Van het voor de Verlichting zo typische genre (Cf. Christoph Siegrist: Das Lehrgedicht der Aufklärung, J.B. Metzlersche Verlagsbuchhandlung, Stuttgart, 1974) als het leerdicht wordt één enkel genoemd, Het Graf van Rhijnvis Feith, dat niet eens typisch is voor de Verlichting, in elk geval veel minder dan andere leerdichten uit die tijd, en dan denk ik vooreerst aan De Vrijmetselarij, in drie zangen van Jan Schouten, uit 1817, en waarover ik op deze website al een uitgebreide studie publiceerde.

Het is dus hoe dan ook een boekje dat je niet echt zou aanbevelen – tenzij dan omdat er werkelijk geen andere inleiding voor aankomende studenten is. De handboeken in de Nederlandse letterkunde, van Jonckbloet tot Schenkeveld-van der Dussen, zijn overigens niet echt veel beter. We kunnen dus alleen maar hopen, dat de aan de 18de en 19de eeuw gewijde delen van de op stapel staande nieuwe geschiedenis van de Nederlandse literatuur het wat dat betreft beter zal doen. Bedenkelijk lijkt me alleen dat de enige die tijdens de afgelopen decennia zich grondig met de Verlichting heeft bezig gehouden en er veel over gepubliceerd heeft, ik bedoel André Hanou van de universiteit van Utrecht, blijkbaar niet meedoet aan dat project.

In deze bijdrage wil ik het hebben over vier gedichten uit de eerste decennia van de 19de eeuw, die alle vier als titel dragen De Verlichting, en waarvan er drie odes zijn op die richting, en éen een leerdicht in twee zangen. In geen enkel boek, in geen enkel artikel worden die gedichten ook maar genoemd. En toch hebben we te maken met interessante gedichten, al was het maar omdat zij de Verlichting inderdaad expliciet tot onderwerp maken, wat bewijst dat de term en haar inhoud actueel was, en dat de intelligentsia van die tijd, en vooral de dichters, er zich zeer bewust van was, en zelfs wilden stimuleren waar de Verlichting allemaal voor stond.

Ook de schrijvers van deze gedichten zijn nobele onbekenden, die enkel bij echte specialisten van de Verlichting en/of de 19de eeuw nog een belletje doen rinkelen. In de dbnl komen ze niet voor; ook Komrij nam niets van hen op; enkel in van Vriesland stond één gedicht van Simons, de anderen komen ook in die bloemlezing niet voor. In hun eigen tijd behoorden ze nochtans tot de literaire elite. Hetgeen enkel maar bewijst hoe weinig roem of bekendheid te betekenen hebben, hoe vlug dat vervluchtigt.

[Verder lezen →]

19 Juni 2006   Geen Commentaar   Printen Printen  

Jan Schouten deel 2

C. Het Gedicht

Ofschoon zijn overige werk niet echt onderdoet voor andere gelegenheidspoëzie uit die periode, toch was voor zijn tijdgenoten Jan Schouten vooral, zoal niet uitsluitend de dichter van één enkel gedicht: De Vrijmetselarij, in drie zangen. In amper twee jaar tijd beleefde het twee drukken, hetgeen voor die tijd uitzonderlijk was. Maar ook het gedicht zelf was uitzonderlijk, en niet alleen in de Nederlandse letteren van die tijd. [Verder lezen →]

28 Januari 2006   Geen Commentaar   Printen Printen  

Jan Schouten deel 3

5. Vergelijkend perspectief.

Er is relatief veel letterkunde gepubliceerd, in poëzie of in proza maar ook als toneel (het bekendste is waarschijnlijk Der Freymaurer van Kotzebue; het valt op dat alle mij bekende toneelstukken over de vrijmetselarij komedies (‘Lustspiele’) zijn), waarvan het onderwerp de vrijmetselarij is, maar enige repertoriëring van die geschriften buiten de bibliografie van Wolfstieg is mij niet bekend. Wel bestaan er twee boeken over – beide overigens even slecht. Het Franse – Littérature et Franc-Maçonnerie [64] – omdat het door en door oppervlakkig is, en daarenboven ook niet-vrijmetselaars opneemt. Het andere – British poets and secret societies [65] – omdat het enerzijds te breed van opzet is en daardoor eveneens oppervlakkig, maar anderzijds omdat het, met name in het hoofdstuk over Christopher Smart verwarring sticht: uit de aanwezigheid van maçonnieke symboliek in het werk van Smart (volgens mij niet eens zo duidelijk) leidt de auteur af dat Smart vrijmetselaar geweest moet zijn, ook al geeft zij toe, dat daarvoor geen enkel ander ‘bewijs’ te vinden is. Dat kan natuurlijk niet, want er zijn wel meer profane dichters die dergelijke symboliek gebruiken: een voorbeeld uit de recente poëzie is Hugues C. Pernath, wiens gedicht ‘Ik treur niet, geen tederheid trekt mij aan’ [66] zelfs in loges gebruikt wordt. Nochtans was Pernath geen vrijmetselaar. [Verder lezen →]

28 Januari 2006   Geen Commentaar   Printen Printen