Ingo Schulze: Neue Leben
Neues Leben was in de DDR de naam van het bekendste en meest geliefde tijdschrift voor de jeugd. Wanneer een uit de DDR afkomstige auteur een roman schrijft onder de titel neue Leben (Berlin Verlag, 2005) spreekt het derhalve bijna vanzelf dat dit een verwijzing is naar dat tijdschrift; en op het eerste zicht zou je kunnen zeggen dat het een negatieve verwijzing is: het enkelvoud, het ene leven, heeft plaats gemaakt voor een meervoud, een pluriformiteit aan levens. De titel zou aldus al een kritiek op het verleden inhouden.
Toch is dat niet zo. Schulze schrijft geen pamflet, maar een doordacht geconstrueerde en goed geschreven roman, die zich inderdaad grotendeels in de DDR afspeelt, maar het enige beeld dat je als lezer krijgt is dat van een maatschappij die wat het leven van alledag betreft amper van die in het Westen verschilt.
De structuur van de roman wordt aangegeven in de lange ondertitel: ‘Die Jugend Enrico Türmers in Briefen und Prosa. Herausgegeben, kommentiert und mit einem Vorwort versehen von Ingo Schulze’. Het spreekt vanzelf dat dit fictie is, een vorm van fictie die in de romankunst al in de achttiende eeuw voorkwam, en waar Schulze blijkbaar bewust bij aansluit. De briefvorm laat een eenvoudige en directe stijl toe, die het lezen vergemakkelijkt en veraangenaamt, zeker in romans als deze, die in een langzaam en bedachtzaam tempo geschreven zijn, dat ook al niet echt eigentijds is (hoewel: ein breites Feld van Grass was ook zo’n boek; en in het Duits zijn er wel meer, veel meer in elk geval dan in het Nederlands; zou dat iets te maken hebben met de geografische uitgebreidheid van Duitsland c.q. Nederland?) en van de lezer een inspanning vraagt die de leestijd van een novelle (dat is wat men in het Nederlands ‘roman’ noemt) wel ruim te boven gaat.
Ofschoon de brieven aan drie personen gericht zijn, kunnen zij toch in twee soorten ingedeeld worden: enerzijds die aan Nicolette, een door de briefschrijver zelf nauwelijks gekende vrouw. Deze brieven zijn de langste (is het psychologisch gemakkelijker aan een onbekende te schrijven?) en vertellen de jeugd van Enrico in een klein stadje in de DDR. De andere brieven zijn gericht aan een jeugdvriend en aan zijn zus, en verhalen de perikelen van de hoofdpersoon rond het opstarten en uitgeven van een eigen tijdschrift tijdens en na de ‘Wende’ (ik schrijf dat woord tussen aanhalingstekens, omdat het mijns inziens niet exact is: ‘Anschluss’ ware beter geweest, maar het eerstgenoemde woord is nu eenmaal het gebruikelijke en ingeburgerde).
Ofschoon het hele boek uiteraard een symbiose is tussen het persoonlijke en het politieke, springt dat in het begin nog niet zo in het oog. Het Westen is wel steeds aanwezig in de geest van de DDR-bewoners, maar op de achtergrond, als een wazig decor of landschap in de verte, waar je niet echt voortdurend mee bezig bent. Dit wordt in de brieven zeer goed gesuggereerd door Schulze, zowel in de stukken over het schoolleven van de hoofdpersoon, als vooral in de stukken over zijn legerdienst, en uiteraard in zijn gedachten over zijn naar het Westen vertrokken zus. Ook het leven van de DDR is niet echt volledig, van a tot z, doortrokken van politiek. Uit het boek zou je zelfs kunnen afleiden, ik herhaal, dat het doordeweekse leven nauwelijks verschilde van dat in de BRD, op details na.
Dat alles verandert natuurlijk met de ‘Wende’. De auteur weet zeer goed weer te geven hoe de politiek a.h.w. op de mensen toekomt, hen meesleept, het dingen doet verlangen en doen, waarvan zij onmogelijk de verdere draagwijdte kunnen kennen. Het hele boek werkt zodoende, aan de ene pool, toe op een culminatiepunt, waarin het persoonlijke en het politieke zich niet meer van elkaar onderscheiden, waarin het persoonlijke leven quasi oplost in het politieke: de ‘Wende’.
Daarnaast, en dat is de andere pool, is het boek ook een Bildungsroman: de hoofdpersoon wil schrijver worden, en het boek eindigt ook met een ‘Anhang’, die verschillende verhalen van Enrico Türmer bevat, die een duidelijke stilistische ontwikkeling vertonen, en die inhoudelijk aansluiten bij bepaalde brieven. Toch is uiteindelijk van dat schrijverschap enkel een tijdschriftredacteur en –uitgever overgebleven. Want zoals in elke Bildungsroman speelt de tegenstelling tussen ideaal en werkelijkheid een grote rol in dit boek: Türmer is in zijn jeugd eerder idealistisch gestemd over het Westen, en droomt er zelfs van uit te wijken, zoals zijn zus, maar meer dan een wensdroom blijft dat niet. Meer zelfs, naargelang het persoonlijke en het politieke meer en meer verstrengeld raken, neemt hij meer en meer afstand van de gebeurtenissen, ook al valt hem dat soms moeilijk, en ook al raakt hij er, tegen zijn wil, toch soms direct bij betrokken. Het is de oude, romantische tegenstelling tussen ideaal en werkelijkheid die hier een nieuw en eigentijds kleedje krijgt. Maar ook het feit dat Enrico op het einde van de DDR in een theater werkt, kan in dat licht van betekenis zijn: is het leven, zowel het persoonlijke als het publieke, immers niet een theaterstuk ?
Voor wie zich de moeite wil getroosten ( het boek telt achthonderd bladzijden) is dit een rijke en aangename roman, die aanleiding kan geven tot nadenken over problemen van allerlei aard, die nog steeds actueel zijn..
Iets minder positief gestemd (maar toch) ben ik over een andere roman, Es geht uns gut van Arno Geiger (Carl Hanser Verlag, München-Wien, 2005), een Oostenrijker.
Ook in dit boek treedt een verstrengeling op van het persoonlijke en het politieke, maar met dit verschil dat er geen culminatiepunt is: de roman leest eerder als een kroniek van een familie, tussen 1938 en 2001, over drie generaties heen. En de data alleen al zeggen dat het politieke in het leven van deze familie snijdt: in 1938 vond immers da Anschluss van Oostenrijk aan het Duitse Rijk plaats, en in 1955 werd het Oostenrijkse Staatsvertrag ondertekend, waardoor Oostenrijk ten eeuwigen dage neutraal zou moeten blijven.
Al die gebeurtenissen en andere, die tot de geschiedenis van het naoorlogse Oostenrijk behoren, spelen inderdaad een rol, maar enkel en alleen op de achtergrond: je hoeft dus amper kennis te bezitten van de geschiedenis van Oostenrijk in die periode, om het boek te kunnen volgen. Beklemmende passages bv. zijn die van het einde van de oorlog, als kinderen van veertien, vijftien jaar nog werden opgehitst om tegen de Russen te vechten in Wenen. Maar het vertelstandpunt is steeds dat van de optredende persoon, het zijn zijn of haar gevoelens en waarnemingen die weergegeven of verteld worden. Op politieke gebeurtenissen wordt nooit in detail ingegaan, die spelen zich als het ware boven de hoofden van de mensen af, ook al is een van de hoofdpersonen minister in de regering die het Staatsvertrag onderhandelt met de Russen (en anderen).
De titel is niet enkel ironisch bedoeld: vanaf de ondertekening van dat Staatsvertrag is het in zekere zin inderdaad enkel beter gegaan met Oostenrijk; de ironie van de titel ligt dan in de relativiteit van het begrip ‘gut’, en meer nog misschien in een zekere leegte die daar gepaard mee gaat, en die door de auteur toch wel mooi opgeroepen wordt soms.
Maar van het kaliber van Schulzes roman is deze toch niet.
30 Oktober 2006
Geen Commentaar
Printen
Drie Romandebuten
Ik lees al een hele tijd amper nog romans, maar nu heb ik het bestaan niet minder dan drie romandebuten achter elkaar te lezen. Met als belangrijkste resultaat de overtuiging dat ik inderdaad zo weinig mogelijk romans zou moeten lezen, zeker hedendaagse.
De eerste is het debuut van Ingo Schulze: Simple Storys, ein Roman aus der ostdeutschen Provinz (DTV, München, 2006). De ondertitel is verkeerd: in aansluiting bij Balzac zou het boek niet ‘roman’, maar ’scenes’ moeten heten, want dat zijn het eigenlijk: scènes uit de provincie (Hugo Claus deed het beter met zijn Belladonna, die als ondertitel inderdaad meekreeg ’scènes uit het leven in de provincie’). Het boek kent wel figuren en personages, die in alle hoofdstukken of scènes terugkomen, maar een verhaallijn, zoals in een roman, is er niet (terwijl we ook niet met een experimentele roman te maken hebben), het zijn inderdaad slechts schetsen uit het alledaagse leven van de figuren, dus noodzakelijkerwijze banaal, met veel dialogen, en eigenlijk vervelend en oninteressant. Het enige positieve is de poging om een atmosfeer van alledaagsheid, verveling en lichte hopeloosheid op te roepen en op de lezer over te brengen. Maar meer dan een poging is het niet: misschien was de auteur stilistisch nog niet rijp of sterk genoeg om dat aan te kunnen; zoiets is immers inderdaad moeilijker dan het vertellen van een verhaaltje of verhaaltjes, zoals de titel zegt.
De tweede is Art. 285b van Christiaan Weijts (De Arbeiderspers, 2006), wel een roman deze keer, met de klassieke verhaallijn: een liefdesgeschiedenis, die zich m.i. amper onderscheidt van onnoemelijk vele andere, gelijkaardige papieren liefdesgeschiedenissen. het feit dat de verhaallijn van deze roman naar een rechtszaak wegens stalking voert is misschien modieus, maar voor de rest amper origineel.
Het boek is geschreven in correct Nederlands, met zelfs -godlof! – hier en daar een poging om het carcan van correct taalgebruik te doorbreken door een beeld, een verrassende vergelijking meestal. Maar pakweg vijf keer op meer dan driehonderd bladzijden is natuurlijk niet vet. De tijd, dat romans ook taalkunstwerken waren is al lang voorbij blijkbaar. Zelfs zelfverklaarde verhaaltjesvertellers als Walschap hadden een stijl, die je onmiddellijk herkende. Dat is hier helemaal afwezig. Daardoor blijft dit boek een van de vele die jaarlijks verschijnen, die je wel met plezier leest, ter ontspanning, maar waarvan je snel na de lectuur al alles vergeten bent. Ontspanningsliteratuur dus, inderdaad. Een vlot verteld banaal verhaaltje. Dan nog liever Ingo Schulze.
De derde tenslotte is Brennende Dörfer (Rimbaud Verlag, 2006) van Leo Katz. Deze Katz is een vandaag quasi totaal vergeten figuur, en deze roman (zijn debuut) is inmiddels al meer dan een halve eeuw oud. Maar van de drie is hij wel de betere, ook al is het evenmin een meesterwerk. Vanuit het standpunt van een kind worden gebeurtenissen uit 1907 in Sereth (klein stadje in Oostenrijk-Hongarije, aan de grens met Roemenië, in de Bukowina)verteld, met name de invoering door keizer Frans-Joseph van het algemeen stemrecht, en de gevolgen daarvan, vooral op het gedrag van de verschillende kandidaten. Dat speelt zich af tegen de achtergrond van een grote boerenopstand in het naburige Roemenië. Opvallend in dit boek is de sterke humor, de ironie en het sarcasme waarmee de machthebbers getekend worden, en de warmte en betrokkenheid waarmee hij de mensen uit het volk, de opstandelingen en de kinderen tekent, en dat zonder dat de schrijver ooit sloganesk of pamfletair wordt. Het enige mindere punt is weer de zwakke stilistische kracht van het boek, duidelijk van een debutant dus.
Inderdaad dus: niet te veel romans meer lezen, zeker geen hedendaagse.
29 September 2006
2 Reacties
Printen
