Schrijver dezes
Vooral, nog altijd, sinds mijn vroegste jeugd eigenlijk al, en het zal wel duren tot aan mijn dood, is lezen mijn belangrijkste hobby. Op de eerste plaats poëzie en ego-documenten (biografieën, autobiografieën, dagboeken, brieven) maar ook cultuurhistorische werken in de breedste zin, o.m. ook over vrijmetselarij. Romans veel minder dan vroeger, ik volg enkel nog enkele romanschrijvers die me bijzonder interesseren
Met die opgestapelde lectuur heb ik lang niets gedaan. Maar eind 1999 ben ik over de poëzie van Jan G. Elburg beginnen schrijven onder leiding van wijlen Michel Bartosik (VUB). Dit leidde tot een doctoraat in 2002 met als titel « Ik hoop dat ik stoor ». De Poëzie van Jan G. Elburg (1919-1992). En nu leef ik me uit in deze blog.

Verder luister ik graag naar allerlei soorten muziek (geen echte voorkeur) en ga ik graag naar tentoonstellingen. In tegenstelling tot de letterkunde (waarvan ik mij toch wel een kenner durf noemen) ben ik op de gebieden muziek en plastische kunsten totaal ongeschoold, vandaar dat ik naar alles kan luisteren en naar alles kan kijken; ik ga daarbij op mijn gevoel af, maar weiger meestal toch waardeoordelen te vellen, en zeker geen definitieve. Uiteindelijk lijkt op deze gebieden me alles in laatste instantie subjectief, en bestaat er geen objectieve schoonheid, hoogstens een consensus over wat dat zou kunnen zijn.
Tenslotte hou ik er nog van om door de stad te zwerven en het kleinsteedse gedoe een beetje aan te kijken; of enkele uurtjes in een kroeg te gaan zitten, om een beetje te lezen bij pot en pint of om een beetje te babbelen.
10 Maart 2009
Comments Off
Printen
Elburg over Sartre
Vanaf 1945 kon men er niet meer omheen: ook in de Nederlandse tijdschriften was het existentialisme alom tegenwoordig, en dan vooral in de persoon van zijn belangrijkste vertegenwoordiger, Sartre. Toch begint Ton Anbeek in een overzichtsartikel [1] met te wijzen op de vaagheid van het begrip ‘existentialisme’ en de vragen die de toepassing ervan op de Nederlandse literatuur oproept , waarbij hij expliciet stelt dat vooraleer op die eerste vraag te antwoorden eerst onderzocht moet worden hoe de receptie en de verwerking van de Franse ideeën was. Hij wijst er ook expliciet op dat in de tijdschriften het meest naar Sartre verwezen wordt.
Het spreekt bijna vanzelf dat deze receptie en verwerking bijna uitsluitend gebeurden door middel van essays. Anbeek wijst erop dat er in het geval van de romans van Van het Reve, Hermans, Blaman (en zelf voeg ik eraan toe: Walravens, en meer nog: D’Haese) meer sprake is van overeenkomsten in atmosfeer en levensgevoel dan van iets anders. De Nederlandse schrijvers gingen niet uit van precepten – al dan niet existentialistisch – om hun romans te schrijven. Maar van een algemene invloed van het (na)oorlogsklimaat was uiteraard wel sprake.
Naast de vele essays, toen en later, en de inmiddels beroemd geworden romans, is er bij mijn weten één enkele dichter die Sartre verwerkt heeft in een gedicht, dat doodgewoon ‘sartre’ heet. Die dichter is Jan G. Elburg, en het gedicht verscheen in diens tweede ‘experimentele’ bundel, De vlag van de werkelijkheid uit 1956. Dat betekent dat het gedicht geschreven moet zijn tussen grosso modo 1952, publicatie van Elburgs eerste ‘experimentele’ bundel, Laag tibet en 1956.
11 November 2006
Geen Commentaar
Printen
Kouwenaar, ten Kate en het sonnet
In een voetnoot van zijn memoires over de beweging van Vijftig levert Jan Elburg o.m. de volgende commentaar op een passage in Fokkema’s Het komplot der Vijftigers: “blz.90 Kouwenaar laat in 1941 het sonnettenbundeltje ‘Vroege voorjaarsdag’… Onjuist: het bundeltje bevatte geen sonnetten. Kouwenaar heeft, voor zover mij bekend, totnogtoe één sonnet geschreven dat begint met Vervloekt sonnet, hangmat voor luie zielen.” (1)
Wat het bundeltje betreft had Elburg gelijk, wat dat éne sonnet betreft niet: in het vierde nummer van het clandestiene tijdschrift Parade der profeten, uit 1944, stond nog een sonnet van Kouwenaar, onder de titel ‘Aan den here baardman Floris d’Arkeneel’, en gepubliceerd onder het pseudoniem Gérard Q. Bleyenburgh. (2) Daar komt nog bij dat het eerstgenoemde sonnet deel uitmaakte van een verder nooit gepubliceerde cyclus, zodat Kouwenaar nog meer sonnetten geschreven heeft, maar die zijn nooit gepubliceerd. (3) [Verder lezen →]
21 Mei 2005
Geen Commentaar
Printen
